pivoteren
werkwoordBetekenis
- op een steunpunt in het midden ronddraaien
- draaien met één voet aan de grond
Vervoeging van pivoteren
pivoterenhele werkwoord — pivoteerdeverleden tijd enkelvoud — pivoteerdenverleden tijd meervoud — gepivoteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | pivoteer | pivoteerde |
| jij | pivoteert | pivoteerde |
| hij, zij, het | pivoteert | pivoteerde |
| wij | pivoteren | pivoteerden |
| jullie | pivoteren | pivoteerden |
| zij | pivoteren | pivoteerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gepivoteerd | verleden tijd, deelwoord |
| gepivoteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepivoteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gepivoteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gepivoteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gepivoteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gepivoteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gepivoteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gepivoteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gepivoteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gepivoteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepivoteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gepivoteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepivoteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gepivoteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gepivoteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepivoteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepivoteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| pivoteer | gebiedende wijs |
| pivoteerde | verleden tijd |
| pivotere | aanvoegende wijs |
| pivoterend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gepivoteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te pivoteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen pivoteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gepivoteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepivoteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gepivoteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal pivoteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal pivoteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal pivoteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gepivoteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepivoteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepivoteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou pivoteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou pivoteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou pivoteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gepivoteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepivoteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepivoteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden pivoteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden pivoteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden pivoteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gepivoteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt pivoteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gepivoteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepivoteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepivoteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen pivoteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen pivoteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen pivoteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen pivoteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gepivoteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult pivoteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse pivoter (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van pivoteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gepivoteerd | voltooid deelwoord | pivoteren |
| gepivoteerde | woordvorm | pivoteren |
| pivoteer | gebiedende wijs | pivoteren |
| pivoteerde | verleden tijd | pivoteren |
| pivoteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | pivoteren |
| pivoteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | pivoteren |
| pivotere | aanvoegende wijs | pivoteren |
| pivoterend | onvoltooid deelwoord | pivoteren |
| pivoterende | woordvorm | pivoteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pivoteren zijn vastgelegd.