Naar de inhoud

pivoteren

op een steunpunt in het midden ronddraaien

pivoteren

werkwoord

Betekenis

  1. op een steunpunt in het midden ronddraaien
  2. draaien met één voet aan de grond

Vervoeging van pivoteren

pivoterenhele werkwoord — pivoteerdeverleden tijd enkelvoud — pivoteerdenverleden tijd meervoud — gepivoteerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik pivoteer pivoteerde
jij pivoteert pivoteerde
hij, zij, het pivoteert pivoteerde
wij pivoteren pivoteerden
jullie pivoteren pivoteerden
zij pivoteren pivoteerden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
gepivoteerd verleden tijd, deelwoord
gepivoteerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gepivoteerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gepivoteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gepivoteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gepivoteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gepivoteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gepivoteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gepivoteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gepivoteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gepivoteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gepivoteerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gepivoteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gepivoteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gepivoteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gepivoteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gepivoteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gepivoteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
pivoteer gebiedende wijs
pivoteerde verleden tijd
pivotere aanvoegende wijs
pivoterend onvoltooid, deelwoord
te hebben gepivoteerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te pivoteren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen pivoteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gepivoteerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gepivoteerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gepivoteerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal pivoteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal pivoteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal pivoteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gepivoteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gepivoteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gepivoteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou pivoteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou pivoteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou pivoteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gepivoteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gepivoteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gepivoteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden pivoteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden pivoteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden pivoteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gepivoteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt pivoteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gepivoteerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gepivoteerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gepivoteerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen pivoteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen pivoteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen pivoteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen pivoteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gepivoteerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult pivoteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van het Franse pivoter (met het achtervoegsel -eren)

Woordfamilie van pivoteren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gepivoteerd voltooid deelwoord pivoteren
gepivoteerde woordvorm pivoteren
pivoteer gebiedende wijs pivoteren
pivoteerde verleden tijd pivoteren
pivoteerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon pivoteren
pivoteert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon pivoteren
pivotere aanvoegende wijs pivoteren
pivoterend onvoltooid deelwoord pivoteren
pivoterende woordvorm pivoteren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pivoteren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over pivoteren

Wat betekent pivoteren?
Pivoteren is een werkwoord. Het woord betekent: op een steunpunt in het midden ronddraaien. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je pivoteren?
Je vervoegt pivoteren als volgt: de tegenwoordige tijd is pivoteer, de verleden tijd is pivoteerde en het voltooid deelwoord is gepivoteerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord pivoteren is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. P 3
  2. I 1
  3. V 4
  4. O 1
  5. T 2
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

pivoteren levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. P 4
  2. I 2
  3. V 4
  4. O 1
  5. T 2
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

pivoteren in het kort

pivoteren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van pivoteren zijn 32 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort pivoteren bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

pivoteren: op een steunpunt in het midden ronddraaien
Deel pivoteren — standaardnederlands.nl