pitsen
werkwoordBetekenis
- knijpen
Vervoeging van pitsen
pitsenhele werkwoord — pitsteverleden tijd enkelvoud — pitstenverleden tijd meervoud — gepitstvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | pits | pitste |
| jij | pitst | pitste |
| hij, zij, het | pitst | pitste |
| wij | pitsen | pitsten |
| jullie | pitsen | pitsten |
| zij | pitsen | pitsten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gepitst | verleden tijd, deelwoord |
| gepitst te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepitst zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gepitst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gepitst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gepitst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gepitst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gepitst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gepitst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gepitst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gepitst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepitst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gepitst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepitst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gepitst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gepitst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepitst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepitst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| pits | gebiedende wijs |
| pitse | aanvoegende wijs |
| pitsend | onvoltooid, deelwoord |
| pitste | verleden tijd |
| te hebben gepitst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te pitsen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen pitsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gepitst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepitst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gepitst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal pitsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal pitsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal pitsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gepitst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepitst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepitst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou pitsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou pitsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou pitsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gepitst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepitst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepitst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden pitsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden pitsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden pitsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gepitst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt pitsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gepitst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepitst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepitst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen pitsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen pitsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen pitsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen pitsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gepitst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult pitsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van pits met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van pitsen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gepitst | voltooid deelwoord | pitsen |
| pitse | aanvoegende wijs | pitsen |
| pitsend | onvoltooid deelwoord | pitsen |
| pitsende | woordvorm | pitsen |
| pitst | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | pitsen |
| pitste | verleden tijd | pitsen |
| pitsten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | pitsen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pitsen zijn vastgelegd.