Naar de inhoud

pitsen

knijpen

pitsen

werkwoord

Betekenis

  1. knijpen

Vervoeging van pitsen

pitsenhele werkwoord — pitsteverleden tijd enkelvoud — pitstenverleden tijd meervoud — gepitstvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik pits pitste
jij pitst pitste
hij, zij, het pitst pitste
wij pitsen pitsten
jullie pitsen pitsten
zij pitsen pitsten
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
gepitst verleden tijd, deelwoord
gepitst te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gepitst zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gepitst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gepitst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gepitst voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gepitst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gepitst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gepitst voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gepitst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gepitst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gepitst actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gepitst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gepitst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gepitst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gepitst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gepitst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gepitst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
pits gebiedende wijs
pitse aanvoegende wijs
pitsend onvoltooid, deelwoord
pitste verleden tijd
te hebben gepitst actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te pitsen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen pitsen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gepitst hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gepitst hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gepitst hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal pitsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal pitsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal pitsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gepitst hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gepitst hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gepitst hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou pitsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou pitsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou pitsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gepitst hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gepitst hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gepitst hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden pitsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden pitsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden pitsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gepitst hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt pitsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gepitst hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gepitst hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gepitst hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen pitsen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen pitsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen pitsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen pitsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gepitst hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult pitsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van pits met het achtervoegsel -en

Woordfamilie van pitsen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gepitst voltooid deelwoord pitsen
pitse aanvoegende wijs pitsen
pitsend onvoltooid deelwoord pitsen
pitsende woordvorm pitsen
pitst aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon pitsen
pitste verleden tijd pitsen
pitsten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon pitsen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pitsen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over pitsen

Wat is de betekenis van pitsen?
Pitsen is een werkwoord. De betekenis is: knijpen.
Hoe vervoeg ik pitsen?
Zo vervoeg je pitsen zo: de tegenwoordige tijd is pits, de verleden tijd is pitste en het voltooid deelwoord is gepitst. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord pitsen is 10 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. P 3
  2. I 1
  3. T 2
  4. S 2
  5. E 1
  6. N 1
  7. 10 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

pitsen levert met Wordfeud minimaal 12 en maximaal 60 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. P 4
  2. I 2
  3. T 2
  4. S 2
  5. E 1
  6. N 1
  7. 12 zonder bonus
  8. 60 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

pitsen telt 6 letters, waarvan 6 verschillende. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

pitsen in het kort

pitsen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van pitsen staan er 32 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort pitsen bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

pitsen: knijpen
Deel pitsen — standaardnederlands.nl