piekeren
werkwoordBetekenis
- langdurig en bezorgd nadenken
Vervoeging van piekeren
piekerenhele werkwoord — piekerdeverleden tijd enkelvoud — piekerdenverleden tijd meervoud — gepiekerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | pieker | piekerde |
| jij | piekert | piekerde |
| hij, zij, het | piekert | piekerde |
| wij | piekeren | piekerden |
| jullie | piekeren | piekerden |
| zij | piekeren | piekerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gepiekerd | verleden tijd, deelwoord |
| gepiekerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepiekerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gepiekerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gepiekerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gepiekerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gepiekerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gepiekerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gepiekerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gepiekerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gepiekerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepiekerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gepiekerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepiekerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gepiekerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gepiekerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepiekerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepiekerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| pieker | gebiedende wijs |
| piekerde | verleden tijd |
| piekere | aanvoegende wijs |
| piekerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gepiekerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te piekeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen piekeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gepiekerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepiekerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gepiekerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal piekeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal piekeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal piekeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gepiekerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepiekerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepiekerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou piekeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou piekeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou piekeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gepiekerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepiekerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepiekerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden piekeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden piekeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden piekeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gepiekerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt piekeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gepiekerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepiekerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepiekerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen piekeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen piekeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen piekeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen piekeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gepiekerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult piekeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Indonesisch, in de betekenis van ‘peinzen’ voor het eerst aangetroffen in 1887
Woordfamilie van piekeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gepiekerd | voltooid deelwoord | piekeren |
| pieker | gebiedende wijs | piekeren |
| piekerde | verleden tijd | piekeren |
| piekerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | piekeren |
| piekere | aanvoegende wijs | piekeren |
| piekerend | onvoltooid deelwoord | piekeren |
| piekerende | woordvorm | piekeren |
| piekert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | piekeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van piekeren zijn vastgelegd.