Naar de inhoud

pianospelen

muziek maken met een piano

pianospelen is meer dan één woord

pianospelen

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. muziek maken met een piano

Vervoeging van pianospelen

pianospelenhele werkwoord — speelde pianoverleden tijd enkelvoud — speelden pianoverleden tijd meervoud — pianogespeeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik speel piano speelde piano
jij speelt piano speelde piano
hij, zij, het speelt piano speelde piano
wij spelen piano speelden piano
jullie spelen piano speelden piano
zij spelen piano speelden piano
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had pianogespeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had pianogespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had pianogespeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden pianogespeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden pianogespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden pianogespeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt pianogespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb pianogespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben pianogespeeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben pianogespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben pianogespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben pianogespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt pianogespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft pianogespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft pianogespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
piano te spelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
piano te zullen spelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
piano zal spelen bijzin, toekomende tijd
piano zou spelen bijzin, voorwaardelijk
piano zouden spelen bijzin, voorwaardelijk
piano zoudt spelen bijzin, voorwaardelijk
piano zullen spelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
piano zullen spelen bijzin, toekomende tijd
piano zult spelen bijzin, toekomende tijd
pianogespeeld verleden tijd, deelwoord
pianogespeeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
pianogespeeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
pianospeel bijzin, tegenwoordige tijd
pianospeelde bijzin, verleden tijd
pianospeelden bijzin, verleden tijd
pianospeelt bijzin, tegenwoordige tijd
pianospelend onvoltooid, deelwoord
speel piano gebiedende wijs
speelde piano verleden tijd
te hebben pianogespeeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen pianospelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal pianogespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal pianogespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal pianogespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal pianospelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal pianospelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal pianospelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal pianospelen bijzin, toekomende tijd
zou pianogespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou pianogespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou pianogespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou pianospelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou pianospelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou pianospelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou pianospelen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) pianospelen piano zou(dt) spelen bijzin, voorwaardelijk
zouden pianogespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden pianogespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden pianogespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden pianospelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden pianospelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden pianospelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden pianospelen bijzin, voorwaardelijk
zoudt pianogespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt pianospelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt pianospelen bijzin, voorwaardelijk
zullen pianogespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen pianogespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen pianogespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen pianospelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen pianospelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen pianospelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen pianospelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen pianospelen bijzin, toekomende tijd
zult pianogespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult pianospelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult pianospelen bijzin, toekomende tijd
zult/zal pianospelen piano zult/zal spelen bijzin, toekomende tijd

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord pianospel

Herkomst

samenstelling van piano en spelen

Woordfamilie van pianospelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
pianogespeeld voltooid deelwoord pianospelen
pianospeel subordinate-clause, tegenwoordige tijd pianospelen
pianospeelde subordinate-clause, verleden tijd pianospelen
pianospeelden subordinate-clause, verleden tijd pianospelen
pianospeelt subordinate-clause, tegenwoordige tijd pianospelen
pianospele with-subordinate-clause pianospelen
pianospelend onvoltooid deelwoord pianospelen
pianospelende woordvorm pianospelen
speel piano gebiedende wijs pianospelen
speelde piano verleden tijd pianospelen
speelden piano aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon pianospelen
speelt piano aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon pianospelen
spele piano woordvorm pianospelen
spelen piano aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon pianospelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pianospelen zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over pianospelen

Wat is de betekenis van pianospelen?
Pianospelen is een werkwoord. De betekenis is: muziek maken met een piano.
Hoe vervoeg ik pianospelen?
Zo vervoeg je pianospelen zo: het voltooid deelwoord is pianogespeeld. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord pianospelen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. P 3
  2. I 1
  3. A 1
  4. N 1
  5. O 1
  6. S 2
  7. P 3
  8. E 1
  9. L 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

pianospelen levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. P 4
  2. I 2
  3. A 1
  4. N 1
  5. O 1
  6. S 2
  7. P 4
  8. E 1
  9. L 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 21 zonder bonus
  13. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

pianospelen in het kort

pianospelen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Van pianospelen staan er 45 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort pianospelen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

pianospelen: muziek maken met een piano
Deel pianospelen — standaardnederlands.nl