peuzelen
werkwoordBetekenis
- langzaam en met smaak eten
Vervoeging van peuzelen
peuzelenhele werkwoord — peuzeldeverleden tijd enkelvoud — peuzeldenverleden tijd meervoud — gepeuzeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | peuzel | peuzelde |
| jij | peuzelt | peuzelde |
| hij, zij, het | peuzelt | peuzelde |
| wij | peuzelen | peuzelden |
| jullie | peuzelen | peuzelden |
| zij | peuzelen | peuzelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gepeuzeld | verleden tijd, deelwoord |
| gepeuzeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepeuzeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gepeuzeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gepeuzeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gepeuzeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gepeuzeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gepeuzeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gepeuzeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gepeuzeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gepeuzeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepeuzeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gepeuzeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepeuzeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gepeuzeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gepeuzeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepeuzeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepeuzeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| peuzel | gebiedende wijs |
| peuzelde | verleden tijd |
| peuzele | aanvoegende wijs |
| peuzelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gepeuzeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te peuzelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen peuzelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gepeuzeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepeuzeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gepeuzeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal peuzelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal peuzelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal peuzelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gepeuzeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepeuzeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepeuzeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou peuzelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou peuzelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou peuzelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gepeuzeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepeuzeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepeuzeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden peuzelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden peuzelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden peuzelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gepeuzeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt peuzelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gepeuzeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepeuzeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepeuzeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen peuzelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen peuzelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen peuzelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen peuzelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gepeuzeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult peuzelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘met genoegen opeten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1599
Woordfamilie van peuzelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gepeuzeld | voltooid deelwoord | peuzelen |
| peuzel | gebiedende wijs | peuzelen |
| peuzelde | verleden tijd | peuzelen |
| peuzelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | peuzelen |
| peuzele | aanvoegende wijs | peuzelen |
| peuzelend | onvoltooid deelwoord | peuzelen |
| peuzelende | woordvorm | peuzelen |
| peuzelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | peuzelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van peuzelen zijn vastgelegd.