pensioneren
werkwoordBetekenis
- zich terugtrekken uit de arbeidsmarkt en van pensioen genieten
- pensioen geven
Vervoeging van pensioneren
pensionerenhele werkwoord — pensioneerdeverleden tijd enkelvoud — pensioneerdenverleden tijd meervoud — gepensioneerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | pensioneer | pensioneerde |
| jij | pensioneert | pensioneerde |
| hij, zij, het | pensioneert | pensioneerde |
| wij | pensioneren | pensioneerden |
| jullie | pensioneren | pensioneerden |
| zij | pensioneren | pensioneerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gepensioneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gepensioneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gepensioneerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gepensioneerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gepensioneerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gepensioneerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gepensioneerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gepensioneerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gepensioneerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gepensioneerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gepensioneerd | verleden tijd, deelwoord |
| gepensioneerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gepensioneerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gepensioneerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepensioneerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepensioneerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepensioneerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gepensioneerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gepensioneerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gepensioneerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gepensioneerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gepensioneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gepensioneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gepensioneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gepensioneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gepensioneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gepensioneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gepensioneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gepensioneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepensioneerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gepensioneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepensioneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gepensioneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gepensioneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepensioneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepensioneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gepensioneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gepensioneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| pensioneer | gebiedende wijs |
| pensioneerde | verleden tijd |
| pensionere | aanvoegende wijs |
| pensionerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gepensioneerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te pensioneren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen pensioneren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gepensioneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gepensioneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gepensioneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gepensioneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gepensioneerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gepensioneerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gepensioneerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gepensioneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gepensioneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gepensioneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gepensioneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gepensioneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gepensioneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gepensioneerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gepensioneerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gepensioneerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gepensioneerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gepensioneerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gepensioneerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gepensioneerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gepensioneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepensioneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gepensioneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gepensioneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepensioneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gepensioneerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepensioneerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal pensioneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal pensioneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal pensioneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gepensioneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gepensioneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gepensioneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gepensioneerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gepensioneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepensioneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepensioneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gepensioneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepensioneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gepensioneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepensioneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepensioneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepensioneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou pensioneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou pensioneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou pensioneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gepensioneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepensioneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepensioneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gepensioneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gepensioneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gepensioneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gepensioneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepensioneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepensioneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden pensioneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden pensioneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden pensioneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gepensioneerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gepensioneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gepensioneerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt pensioneren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gepensioneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepensioneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepensioneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gepensioneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gepensioneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gepensioneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gepensioneerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepensioneerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepensioneerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen pensioneren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen pensioneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen pensioneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen pensioneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gepensioneerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gepensioneerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gepensioneerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult pensioneren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse pensionner (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van pensioneren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| pensioneer | gebiedende wijs | pensioneren |
| pensioneerde | verleden tijd | pensioneren |
| pensioneerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | pensioneren |
| pensioneert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | pensioneren |
| pensionere | aanvoegende wijs | pensioneren |
| pensionerend | onvoltooid deelwoord | pensioneren |
| pensionerende | woordvorm | pensioneren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pensioneren zijn vastgelegd.