patrouilleren
werkwoordBetekenis
- verkennen
Vervoeging van patrouilleren
patrouillerenhele werkwoord — patrouilleerdeverleden tijd enkelvoud — patrouilleerdenverleden tijd meervoud — gepatrouilleerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | patrouilleer | patrouilleerde |
| jij | patrouilleert | patrouilleerde |
| hij, zij, het | patrouilleert | patrouilleerde |
| wij | patrouilleren | patrouilleerden |
| jullie | patrouilleren | patrouilleerden |
| zij | patrouilleren | patrouilleerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gepatrouilleerd | verleden tijd, deelwoord |
| gepatrouilleerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepatrouilleerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gepatrouilleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gepatrouilleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gepatrouilleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gepatrouilleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gepatrouilleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gepatrouilleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gepatrouilleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gepatrouilleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepatrouilleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gepatrouilleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepatrouilleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gepatrouilleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gepatrouilleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepatrouilleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepatrouilleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| patrouilleer | gebiedende wijs |
| patrouilleerde | verleden tijd |
| patrouillere | aanvoegende wijs |
| patrouillerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gepatrouilleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te patrouilleren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen patrouilleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gepatrouilleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepatrouilleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gepatrouilleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal patrouilleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal patrouilleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal patrouilleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gepatrouilleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepatrouilleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepatrouilleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou patrouilleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou patrouilleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou patrouilleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gepatrouilleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepatrouilleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepatrouilleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden patrouilleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden patrouilleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden patrouilleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gepatrouilleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt patrouilleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gepatrouilleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepatrouilleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepatrouilleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen patrouilleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen patrouilleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen patrouilleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen patrouilleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gepatrouilleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult patrouilleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse patrouiller (met het achtervoegsel -eren)
Woordfamilie van patrouilleren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gepatrouilleerd | voltooid deelwoord | patrouilleren |
| patrouilleer | gebiedende wijs | patrouilleren |
| patrouilleerde | verleden tijd | patrouilleren |
| patrouilleerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | patrouilleren |
| patrouilleert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | patrouilleren |
| patrouillere | aanvoegende wijs | patrouilleren |
| patrouillerend | onvoltooid deelwoord | patrouilleren |
| patrouillerende | woordvorm | patrouilleren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van patrouilleren zijn vastgelegd.