passaat
zelfstandig naamwoordBetekenis
- de vaste oostelijke wind die waait tussen de 30 graden noorderbreedte en 30 graden zuiderbreedte en het reizen met zeilschepen over de oceaan aanzienlijk eenvoudiger maakt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| passaten | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Spaans, in de betekenis van ‘wind’ voor het eerst aangetroffen in 1637
Woordfamilie van passaat
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| passaten | meervoud | passaat |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van passaat zijn vastgelegd.