party
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- feest
- partij
- fuif, feestje
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| party's | meervoud |
| party'tje | verkleinwoord, enkelvoud |
| party'tjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van partyen
- gebiedende wijs van partyen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van partyen
Vervoeging van party
partyhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘ongedwongen feest’ voor het eerst aangetroffen in 1974
Woordfamilie van party
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| party's | meervoud | party |
| party'tje | verkleinwoord | party |
| party'tjes | verkleinwoord meervoud | party |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van party zijn vastgelegd.