parel
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈparəlBetekenis
- een hard, rond voorwerp bestaande uit parelmoer dat door bepaalde weekdieren (hoofdzakelijk oesters, soms slakken) wordt gemaakt, en dat opgevist wordt om als sieraad te dienen
- bolvormig uitsteeksel aan de basis van een gewei van een hert
- bijnaam voor een talentvolle speler, die zich van andere (middelmatige) spelers onderscheidt, of een bedrijf, gebouw, gebied of eiland dat in schoonheid, strategisch belang of (commerciële) potentie boven de anderen uitsteekt.
Hoe spreek je parel uit?
/ˈparəl/
Parel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| a | maan |
| r | rood |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| parelen | meervoud |
| parels | meervoud |
| pareltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| pareltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van parelen
- gebiedende wijs van parelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van parelen
Vervoeging van parel
parelhele werkwoord
Herkomst
van Frans perle, in de betekenis van ‘klompje paarlemoerstof in oester’ voor het eerst aangetroffen in 1287
Woordfamilie van parel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| parels | meervoud | parel |
| pareltje | verkleinwoord | parel |
| pareltjes | verkleinwoord meervoud | parel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van parel zijn vastgelegd.