Naar de inhoud

paralyseren

verlammen

paralyseren

werkwoord

Betekenis

  1. verlammen

Vervoeging van paralyseren

paralyserenhele werkwoord — paralyseerdeverleden tijd enkelvoud — paralyseerdenverleden tijd meervoud — geparalyseerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik paralyseer paralyseerde
jij paralyseert paralyseerde
hij, zij, het paralyseert paralyseerde
wij paralyseren paralyseerden
jullie paralyseren paralyseerden
zij paralyseren paralyseerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geparalyseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geparalyseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geparalyseerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geparalyseerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geparalyseerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geparalyseerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geparalyseerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geparalyseerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geparalyseerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geparalyseerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geparalyseerd verleden tijd, deelwoord
geparalyseerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geparalyseerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geparalyseerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geparalyseerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geparalyseerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geparalyseerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geparalyseerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geparalyseerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geparalyseerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geparalyseerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geparalyseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geparalyseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geparalyseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geparalyseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geparalyseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geparalyseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geparalyseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geparalyseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geparalyseerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geparalyseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geparalyseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geparalyseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geparalyseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geparalyseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geparalyseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geparalyseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geparalyseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
paralyseer gebiedende wijs
paralyseerde verleden tijd
paralysere aanvoegende wijs
paralyserend onvoltooid, deelwoord
te hebben geparalyseerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te paralyseren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen paralyseren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geparalyseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geparalyseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geparalyseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geparalyseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geparalyseerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geparalyseerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geparalyseerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geparalyseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geparalyseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geparalyseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geparalyseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geparalyseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geparalyseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geparalyseerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geparalyseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geparalyseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geparalyseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geparalyseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geparalyseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geparalyseerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal geparalyseerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geparalyseerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geparalyseerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geparalyseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geparalyseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geparalyseerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geparalyseerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal paralyseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal paralyseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal paralyseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn geparalyseerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geparalyseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geparalyseerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geparalyseerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou geparalyseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geparalyseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geparalyseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geparalyseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geparalyseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geparalyseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geparalyseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geparalyseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geparalyseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou paralyseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou paralyseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou paralyseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geparalyseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geparalyseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geparalyseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geparalyseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geparalyseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geparalyseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geparalyseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geparalyseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geparalyseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden paralyseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden paralyseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden paralyseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geparalyseerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geparalyseerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geparalyseerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt paralyseren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geparalyseerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geparalyseerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geparalyseerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geparalyseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geparalyseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geparalyseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geparalyseerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geparalyseerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geparalyseerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen paralyseren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen paralyseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen paralyseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen paralyseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geparalyseerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geparalyseerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geparalyseerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult paralyseren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van het Franse paralyser (en daarvoor van het Griekse 'luein' (losmaken) met het voorvoegsel para-) met het achtervoegsel -eren

Woordfamilie van paralyseren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geparalyseerd voltooid deelwoord paralyseren
geparalyseerde woordvorm paralyseren
paralyseer gebiedende wijs paralyseren
paralyseerde verleden tijd paralyseren
paralyseerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon paralyseren
paralyseert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon paralyseren
paralysere aanvoegende wijs paralyseren
paralyserend onvoltooid deelwoord paralyseren
paralyserende woordvorm paralyseren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van paralyseren zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over paralyseren

Wat betekent paralyseren?
Paralyseren is een werkwoord. Het woord betekent: verlammen.
Hoe vervoeg je paralyseren?
Je vervoegt paralyseren als volgt: de tegenwoordige tijd is paralyseer, de verleden tijd is paralyseerde en het voltooid deelwoord is geparalyseerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord paralyseren is 25 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. P 3
  2. A 1
  3. R 2
  4. A 1
  5. L 3
  6. Y 8
  7. S 2
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 25 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

paralyseren levert met Wordfeud minimaal 26 en maximaal 126 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. P 4
  2. A 1
  3. R 2
  4. A 1
  5. L 3
  6. Y 8
  7. S 2
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 26 zonder bonus
  13. 126 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Y) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

paralyseren in het kort

paralyseren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van paralyseren zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort paralyseren bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

paralyseren: verlammen
Deel paralyseren — standaardnederlands.nl