paraferen
werkwoordBetekenis
- ondertekenen met een paraaf
Vervoeging van paraferen
paraferenhele werkwoord — parafeerdeverleden tijd enkelvoud — parafeerdenverleden tijd meervoud — geparafeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | parafeer | parafeerde |
| jij | parafeert | parafeerde |
| hij, zij, het | parafeert | parafeerde |
| wij | paraferen | parafeerden |
| jullie | paraferen | parafeerden |
| zij | paraferen | parafeerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geparafeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geparafeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geparafeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geparafeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geparafeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geparafeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geparafeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geparafeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geparafeerd | verleden tijd, deelwoord |
| geparafeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geparafeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geparafeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geparafeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geparafeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geparafeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geparafeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geparafeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geparafeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geparafeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geparafeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geparafeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geparafeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geparafeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geparafeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geparafeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geparafeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| parafeer | gebiedende wijs |
| parafeerde | verleden tijd |
| parafere | aanvoegende wijs |
| paraferend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geparafeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te paraferen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen paraferen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geparafeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geparafeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geparafeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal paraferen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal paraferen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal paraferen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geparafeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geparafeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geparafeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou paraferen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou paraferen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou paraferen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geparafeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geparafeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geparafeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden paraferen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden paraferen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden paraferen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geparafeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt paraferen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geparafeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geparafeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geparafeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen paraferen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen paraferen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen paraferen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen paraferen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geparafeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult paraferen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse parafer met het achtervoegsel -eren
Woordfamilie van paraferen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geparafeerd | voltooid deelwoord | paraferen |
| geparafeerde | woordvorm | paraferen |
| parafeer | gebiedende wijs | paraferen |
| parafeerde | verleden tijd | paraferen |
| parafeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | paraferen |
| parafeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | paraferen |
| parafere | aanvoegende wijs | paraferen |
| paraferend | onvoltooid deelwoord | paraferen |
| paraferende | woordvorm | paraferen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van paraferen zijn vastgelegd.