palperen
werkwoordBetekenis
- met de handen betasten en bekloppen
Vervoeging van palperen
palperenhele werkwoord — palpeerdeverleden tijd enkelvoud — palpeerdenverleden tijd meervoud — gepalpeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | palpeer | palpeerde |
| jij | palpeert | palpeerde |
| hij, zij, het | palpeert | palpeerde |
| wij | palperen | palpeerden |
| jullie | palperen | palpeerden |
| zij | palperen | palpeerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gepalpeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gepalpeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gepalpeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gepalpeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gepalpeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gepalpeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gepalpeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gepalpeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gepalpeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gepalpeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gepalpeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gepalpeerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gepalpeerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gepalpeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepalpeerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepalpeerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepalpeerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gepalpeerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gepalpeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gepalpeerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gepalpeerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gepalpeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gepalpeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gepalpeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gepalpeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gepalpeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gepalpeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gepalpeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gepalpeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepalpeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gepalpeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepalpeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gepalpeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gepalpeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepalpeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepalpeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gepalpeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gepalpeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| palpeer | gebiedende wijs |
| palpeerde | verleden tijd |
| palpere | aanvoegende wijs |
| palperend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gepalpeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te palperen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen palperen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gepalpeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gepalpeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gepalpeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gepalpeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gepalpeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gepalpeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gepalpeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gepalpeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gepalpeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gepalpeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gepalpeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gepalpeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gepalpeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gepalpeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gepalpeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gepalpeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gepalpeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gepalpeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gepalpeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gepalpeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gepalpeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepalpeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gepalpeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gepalpeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepalpeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gepalpeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepalpeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal palperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal palperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal palperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gepalpeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gepalpeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gepalpeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gepalpeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gepalpeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepalpeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepalpeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gepalpeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepalpeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gepalpeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepalpeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepalpeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepalpeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou palperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou palperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou palperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gepalpeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepalpeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepalpeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gepalpeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gepalpeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gepalpeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gepalpeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepalpeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepalpeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden palperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden palperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden palperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gepalpeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gepalpeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gepalpeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt palperen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gepalpeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepalpeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepalpeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gepalpeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gepalpeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gepalpeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gepalpeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepalpeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepalpeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen palperen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen palperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen palperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen palperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gepalpeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gepalpeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gepalpeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult palperen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘met de hand bekloppen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1865
Woordfamilie van palperen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gepalpeerd | voltooid deelwoord | palperen |
| gepalpeerde | woordvorm | palperen |
| palpeer | gebiedende wijs | palperen |
| palpeerde | verleden tijd | palperen |
| palpeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | palperen |
| palpeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | palperen |
| palpere | aanvoegende wijs | palperen |
| palperend | onvoltooid deelwoord | palperen |
| palperende | woordvorm | palperen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van palperen zijn vastgelegd.