Naar de inhoud

overvloeien

een overvloed hebben van

overvloeien

werkwoord

Betekenis

  1. een overvloed hebben van
  2. overlopen, overstromen

Vervoeging van overvloeien

overvloeienhele werkwoord — vloeide oververleden tijd enkelvoud — vloeiden oververleden tijd meervoud — overgevloeidvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik vloei over vloeide over
jij vloeit over vloeide over
hij, zij, het vloeit over vloeide over
wij vloeien over vloeiden over
jullie vloeien over vloeiden over
zij vloeien over vloeiden over
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben overgevloeid voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent overgevloeid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is overgevloeid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is overgevloeid voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
over te vloeien actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
over te zullen vloeien actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
over zal vloeien bijzin, toekomende tijd
over zou vloeien bijzin, voorwaardelijk
over zouden vloeien bijzin, voorwaardelijk
over zoudt vloeien bijzin, voorwaardelijk
over zullen vloeien actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
over zullen vloeien bijzin, toekomende tijd
over zult vloeien bijzin, toekomende tijd
overgevloeid verleden tijd, deelwoord
overgevloeid te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
overgevloeid zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
overvloei bijzin, tegenwoordige tijd
overvloeide bijzin, verleden tijd
overvloeiden bijzin, verleden tijd
overvloeiend onvoltooid, deelwoord
overvloeit bijzin, tegenwoordige tijd
te zijn overgevloeid actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen overvloeien actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vloei over gebiedende wijs
vloeide over verleden tijd
waart overgevloeid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren overgevloeid voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren overgevloeid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren overgevloeid voltooid, verleden tijd, derde persoon
was overgevloeid voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was overgevloeid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was overgevloeid voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal overgevloeid zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal overgevloeid zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal overgevloeid zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal overvloeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal overvloeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal overvloeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal overvloeien bijzin, toekomende tijd
zijn overgevloeid actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn overgevloeid voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn overgevloeid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn overgevloeid voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt overgevloeid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou overgevloeid zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou overgevloeid zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou overgevloeid zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou overvloeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou overvloeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou overvloeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou overvloeien bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) overvloeien over zou(dt) vloeien bijzin, voorwaardelijk
zouden overgevloeid zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden overgevloeid zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden overgevloeid zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden overvloeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden overvloeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden overvloeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden overvloeien bijzin, voorwaardelijk
zoudt overgevloeid zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt overvloeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt overvloeien bijzin, voorwaardelijk
zullen overgevloeid zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen overgevloeid zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen overgevloeid zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen overvloeien actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen overvloeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen overvloeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen overvloeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen overvloeien bijzin, toekomende tijd
zult overgevloeid zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult overvloeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult overvloeien bijzin, toekomende tijd
zult/zal overvloeien over zult/zal vloeien bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van over en vloeien

Woordfamilie van overvloeien

Woordvorm Relatie Afgeleid van
overgevloeid voltooid deelwoord overvloeien
overvloei subordinate-clause, tegenwoordige tijd overvloeien
overvloeide subordinate-clause, verleden tijd overvloeien
overvloeiden subordinate-clause, verleden tijd overvloeien
overvloeie with-subordinate-clause overvloeien
overvloeiend onvoltooid deelwoord overvloeien
overvloeiende woordvorm overvloeien
overvloeit subordinate-clause, tegenwoordige tijd overvloeien
vloei over gebiedende wijs overvloeien
vloeide over verleden tijd overvloeien
vloeiden over aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon overvloeien
vloeie over woordvorm overvloeien
vloeien over aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon overvloeien
vloeit over aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon overvloeien

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van overvloeien zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over overvloeien

Wat betekent overvloeien?
Overvloeien is een werkwoord. Het woord betekent: een overvloed hebben van. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je overvloeien?
Je vervoegt overvloeien als volgt: het voltooid deelwoord is overgevloeid. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord overvloeien is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. V 4
  3. E 1
  4. R 2
  5. V 4
  6. L 3
  7. O 1
  8. E 1
  9. I 1
  10. E 1
  11. N 1
  12. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

overvloeien levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. V 4
  3. E 1
  4. R 2
  5. V 4
  6. L 3
  7. O 1
  8. E 1
  9. I 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 21 zonder bonus
  13. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

overvloeien in het kort

overvloeien staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van overvloeien zijn 46 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort overvloeien bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

overvloeien: een overvloed hebben van
Deel overvloeien — standaardnederlands.nl