overspringen
werkwoordBetekenis
- van het een op het andere springen
- over iets uitsteken, vooruitsteken
- overslaan
Vervoeging van overspringen
overspringenhele werkwoord — sprong oververleden tijd enkelvoud — sprongen oververleden tijd meervoud — overgesprongenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | spring over | sprong over |
| jij | springt over | sprong over |
| hij, zij, het | springt over | sprong over |
| wij | springen over | sprongen over |
| jullie | springen over | sprongen over |
| zij | springen over | sprongen over |
Alle 118 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben overgesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent overgesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is overgesprongen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was overgesprongen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd overgesprongen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt overgesprongen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal overgesprongen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal overgesprongen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou overgesprongen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou overgesprongen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| is overgesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is overgesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| over te springen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| over te zullen springen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| over zal springen | bijzin, toekomende tijd |
| over zou springen | bijzin, voorwaardelijk |
| over zouden springen | bijzin, voorwaardelijk |
| over zoudt springen | bijzin, voorwaardelijk |
| over zullen springen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| over zullen springen | bijzin, toekomende tijd |
| over zult springen | bijzin, toekomende tijd |
| overgesprongen | verleden tijd, deelwoord |
| overgesprongen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| overgesprongen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| overgesprongen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overgesprongen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overgesprongen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overgesprongen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| overgesprongen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| overgesprongen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overgesprongen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overgesprongen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overspring | bijzin, tegenwoordige tijd |
| overspringend | onvoltooid, deelwoord |
| overspringt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| oversprong | bijzin, verleden tijd |
| oversprongen | bijzin, verleden tijd |
| spring over | gebiedende wijs |
| sprong over | verleden tijd |
| te zijn overgesprongen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen overspringen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart overgesprongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren overgesprongen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren overgesprongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren overgesprongen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was overgesprongen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was overgesprongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was overgesprongen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd overgesprongen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd overgesprongen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd overgesprongen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden overgesprongen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden overgesprongen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden overgesprongen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt overgesprongen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word overgesprongen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden overgesprongen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden overgesprongen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden overgesprongen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt overgesprongen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt overgesprongen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal overgesprongen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal overgesprongen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal overgesprongen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal overgesprongen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal overgesprongen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal overspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal overspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal overspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal overspringen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn overgesprongen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn overgesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn overgesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn overgesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt overgesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou overgesprongen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou overgesprongen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou overgesprongen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou overgesprongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou overgesprongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou overgesprongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou overspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou overspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou overspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou overspringen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) overspringen over zou(dt) springen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden overgesprongen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden overgesprongen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden overgesprongen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden overgesprongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden overgesprongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden overgesprongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden overspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden overspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden overspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden overspringen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt overgesprongen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt overgesprongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt overspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt overspringen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen overgesprongen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen overgesprongen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen overgesprongen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen overgesprongen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen overgesprongen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen overgesprongen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen overspringen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen overspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen overspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen overspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen overspringen | bijzin, toekomende tijd |
| zult overgesprongen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult overgesprongen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult overspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult overspringen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal overspringen over zult/zal springen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van over en springen
Woordfamilie van overspringen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| overgesprongen | voltooid deelwoord | overspringen |
| overspring | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | overspringen |
| overspringe | with-subordinate-clause | overspringen |
| overspringend | onvoltooid deelwoord | overspringen |
| overspringende | woordvorm | overspringen |
| overspringt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | overspringen |
| spring over | gebiedende wijs | overspringen |
| springe over | woordvorm | overspringen |
| springen over | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | overspringen |
| springt over | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | overspringen |
| sprong over | verleden tijd | overspringen |
| sprongen over | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | overspringen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van overspringen zijn vastgelegd.