Naar de inhoud

overspringen

van het een op het andere springen

overspringen

werkwoord

Betekenis

  1. van het een op het andere springen
  2. over iets uitsteken, vooruitsteken
  3. overslaan

Vervoeging van overspringen

overspringenhele werkwoord — sprong oververleden tijd enkelvoud — sprongen oververleden tijd meervoud — overgesprongenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik spring over sprong over
jij springt over sprong over
hij, zij, het springt over sprong over
wij springen over sprongen over
jullie springen over sprongen over
zij springen over sprongen over
Alle 118 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben overgesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent overgesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is overgesprongen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was overgesprongen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd overgesprongen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt overgesprongen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal overgesprongen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal overgesprongen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou overgesprongen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou overgesprongen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
is overgesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is overgesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
over te springen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
over te zullen springen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
over zal springen bijzin, toekomende tijd
over zou springen bijzin, voorwaardelijk
over zouden springen bijzin, voorwaardelijk
over zoudt springen bijzin, voorwaardelijk
over zullen springen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
over zullen springen bijzin, toekomende tijd
over zult springen bijzin, toekomende tijd
overgesprongen verleden tijd, deelwoord
overgesprongen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
overgesprongen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
overgesprongen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
overgesprongen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
overgesprongen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
overgesprongen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
overgesprongen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
overgesprongen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
overgesprongen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
overgesprongen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
overspring bijzin, tegenwoordige tijd
overspringend onvoltooid, deelwoord
overspringt bijzin, tegenwoordige tijd
oversprong bijzin, verleden tijd
oversprongen bijzin, verleden tijd
spring over gebiedende wijs
sprong over verleden tijd
te zijn overgesprongen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen overspringen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart overgesprongen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren overgesprongen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren overgesprongen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren overgesprongen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was overgesprongen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was overgesprongen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was overgesprongen voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd overgesprongen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd overgesprongen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd overgesprongen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden overgesprongen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden overgesprongen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden overgesprongen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt overgesprongen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word overgesprongen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden overgesprongen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden overgesprongen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden overgesprongen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt overgesprongen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt overgesprongen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal overgesprongen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal overgesprongen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal overgesprongen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal overgesprongen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal overgesprongen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal overspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal overspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal overspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal overspringen bijzin, toekomende tijd
zijn overgesprongen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn overgesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn overgesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn overgesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt overgesprongen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou overgesprongen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou overgesprongen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou overgesprongen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou overgesprongen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou overgesprongen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou overgesprongen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou overspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou overspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou overspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou overspringen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) overspringen over zou(dt) springen bijzin, voorwaardelijk
zouden overgesprongen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden overgesprongen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden overgesprongen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden overgesprongen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden overgesprongen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden overgesprongen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden overspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden overspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden overspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden overspringen bijzin, voorwaardelijk
zoudt overgesprongen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt overgesprongen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt overspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt overspringen bijzin, voorwaardelijk
zullen overgesprongen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen overgesprongen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen overgesprongen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen overgesprongen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen overgesprongen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen overgesprongen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen overspringen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen overspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen overspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen overspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen overspringen bijzin, toekomende tijd
zult overgesprongen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult overgesprongen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult overspringen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult overspringen bijzin, toekomende tijd
zult/zal overspringen over zult/zal springen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van over en springen

Woordfamilie van overspringen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
overgesprongen voltooid deelwoord overspringen
overspring subordinate-clause, tegenwoordige tijd overspringen
overspringe with-subordinate-clause overspringen
overspringend onvoltooid deelwoord overspringen
overspringende woordvorm overspringen
overspringt subordinate-clause, tegenwoordige tijd overspringen
spring over gebiedende wijs overspringen
springe over woordvorm overspringen
springen over aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon overspringen
springt over aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon overspringen
sprong over verleden tijd overspringen
sprongen over aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon overspringen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van overspringen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over overspringen

Wat betekent overspringen?
Overspringen is een werkwoord. Het woord betekent: van het een op het andere springen. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je overspringen?
Je vervoegt overspringen als volgt: het voltooid deelwoord is overgesprongen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord overspringen is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. V 4
  3. E 1
  4. R 2
  5. S 2
  6. P 3
  7. R 2
  8. I 1
  9. N 1
  10. G 3
  11. E 1
  12. N 1
  13. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

overspringen levert met Wordfeud minimaal 24 en maximaal 96 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. V 4
  3. E 1
  4. R 2
  5. S 2
  6. P 4
  7. R 2
  8. I 2
  9. N 1
  10. G 3
  11. E 1
  12. N 1
  13. 24 zonder bonus
  14. 96 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

overspringen in het kort

overspringen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van overspringen zijn 73 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort overspringen bij een woordfamilie van 12 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

overspringen: van het een op het andere springen
Deel overspringen — standaardnederlands.nl