Naar de inhoud

overmeesteren

Iemand meester worden

overmeesteren

werkwoord ˌovərˈmestərə(n)

Betekenis

  1. Iemand meester worden
  2. Bevangen worden door een gevoel
  3. een gevecht van iemand winnen

Hoe spreek je overmeesteren uit?

/ˌovərˈmestərən/

Overmeesteren bestaat uit vijf lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.

De tekens in /ˌovərˈmestərən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
o boot
v vis
ə de
r rood
m maan
e veel
s sok
t tak
n nek
ˌ een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van overmeesteren

overmeesterenhele werkwoord — overmeesterdeverleden tijd enkelvoud — overmeesterdenverleden tijd meervoud — overmeesterdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik overmeester overmeesterde
jij overmeestert overmeesterde
hij, zij, het overmeestert overmeesterde
wij overmeesteren overmeesterden
jullie overmeesteren overmeesterden
zij overmeesteren overmeesterden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben overmeesterd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent overmeesterd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is overmeesterd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was overmeesterd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd overmeesterd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt overmeesterd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal overmeesterd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal overmeesterd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou overmeesterd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou overmeesterd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had overmeesterd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had overmeesterd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had overmeesterd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden overmeesterd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden overmeesterd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden overmeesterd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt overmeesterd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb overmeesterd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben overmeesterd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben overmeesterd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben overmeesterd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben overmeesterd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt overmeesterd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft overmeesterd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft overmeesterd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is overmeesterd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is overmeesterd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
overmeester gebiedende wijs
overmeesterd verleden tijd, deelwoord
overmeesterd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
overmeesterd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
overmeesterd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
overmeesterd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
overmeesterd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
overmeesterd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
overmeesterd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
overmeesterd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
overmeesterd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
overmeesterd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
overmeesterde verleden tijd
overmeestere aanvoegende wijs
overmeesterend onvoltooid, deelwoord
te hebben overmeesterd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te overmeesteren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen overmeesteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart overmeesterd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren overmeesterd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren overmeesterd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren overmeesterd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was overmeesterd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was overmeesterd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was overmeesterd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd overmeesterd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd overmeesterd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd overmeesterd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden overmeesterd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden overmeesterd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden overmeesterd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt overmeesterd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word overmeesterd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden overmeesterd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden overmeesterd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden overmeesterd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt overmeesterd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt overmeesterd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal overmeesterd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal overmeesterd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal overmeesterd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal overmeesterd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal overmeesterd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal overmeesterd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal overmeesterd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal overmeesteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal overmeesteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal overmeesteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn overmeesterd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn overmeesterd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn overmeesterd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt overmeesterd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou overmeesterd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou overmeesterd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou overmeesterd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou overmeesterd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou overmeesterd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou overmeesterd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou overmeesterd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou overmeesterd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou overmeesterd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou overmeesteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou overmeesteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou overmeesteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden overmeesterd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden overmeesterd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden overmeesterd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden overmeesterd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden overmeesterd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden overmeesterd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden overmeesterd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden overmeesterd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden overmeesterd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden overmeesteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden overmeesteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden overmeesteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt overmeesterd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt overmeesterd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt overmeesterd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt overmeesteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen overmeesterd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen overmeesterd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen overmeesterd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen overmeesterd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen overmeesterd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen overmeesterd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen overmeesterd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen overmeesterd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen overmeesterd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen overmeesteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen overmeesteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen overmeesteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen overmeesteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult overmeesterd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult overmeesterd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult overmeesterd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult overmeesteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van over en meesteren

Woordfamilie van overmeesteren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
overmeester gebiedende wijs overmeesteren
overmeesterd voltooid deelwoord overmeesteren
overmeesterde verleden tijd overmeesteren
overmeesterden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon overmeesteren
overmeestere aanvoegende wijs overmeesteren
overmeesterend onvoltooid deelwoord overmeesteren
overmeesterende woordvorm overmeesteren
overmeestert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon overmeesteren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van overmeesteren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over overmeesteren

Hoe spreek je overmeesteren uit?
De uitspraak van overmeesteren is: /ˌovərˈmestərə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd.
Wat betekent overmeesteren?
Overmeesteren is een werkwoord. Het woord betekent: Iemand meester worden. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je overmeesteren?
Je vervoegt overmeesteren als volgt: de tegenwoordige tijd is overmeester, de verleden tijd is overmeesterde en het voltooid deelwoord is overmeesterd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord overmeesteren is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. V 4
  3. E 1
  4. R 2
  5. M 3
  6. E 1
  7. E 1
  8. S 2
  9. T 2
  10. E 1
  11. R 2
  12. E 1
  13. N 1
  14. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

overmeesteren levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. V 4
  3. E 1
  4. R 2
  5. M 3
  6. E 1
  7. E 1
  8. S 2
  9. T 2
  10. E 1
  11. R 2
  12. E 1
  13. N 1
  14. 22 zonder bonus
  15. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

overmeesteren in het kort

overmeesteren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van overmeesteren zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort overmeesteren bij een woordfamilie van 8 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

overmeesteren: Iemand meester worden
Deel overmeesteren — standaardnederlands.nl