Naar de inhoud

overkluizen

een civieltechnisch kunstwerk plaatsen waarmee een weg een andere weg, een plein of een waterloop (kruiselings) overwelfd wordt.

overkluizen

werkwoord

Betekenis

  1. een civieltechnisch kunstwerk plaatsen waarmee een weg een andere weg, een plein of een waterloop (kruiselings) overwelfd wordt.

Vervoeging van overkluizen

overkluizenhele werkwoord — overkluisdeverleden tijd enkelvoud — overkluisdenverleden tijd meervoud — overkluisdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik overkluis overkluisde
jij overkluist overkluisde
hij, zij, het overkluist overkluisde
wij overkluizen overkluisden
jullie overkluizen overkluisden
zij overkluizen overkluisden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben overkluisd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent overkluisd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is overkluisd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was overkluisd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd overkluisd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt overkluisd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal overkluisd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal overkluisd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou overkluisd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou overkluisd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had overkluisd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had overkluisd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had overkluisd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden overkluisd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden overkluisd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden overkluisd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt overkluisd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb overkluisd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben overkluisd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben overkluisd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben overkluisd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben overkluisd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt overkluisd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft overkluisd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft overkluisd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is overkluisd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is overkluisd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
overkluis gebiedende wijs
overkluisd verleden tijd, deelwoord
overkluisd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
overkluisd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
overkluisd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
overkluisd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
overkluisd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
overkluisd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
overkluisd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
overkluisd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
overkluisd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
overkluisd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
overkluisde verleden tijd
overkluize aanvoegende wijs
overkluizend onvoltooid, deelwoord
te hebben overkluisd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te overkluizen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen overkluizen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart overkluisd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren overkluisd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren overkluisd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren overkluisd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was overkluisd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was overkluisd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was overkluisd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd overkluisd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd overkluisd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd overkluisd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden overkluisd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden overkluisd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden overkluisd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt overkluisd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word overkluisd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden overkluisd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden overkluisd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden overkluisd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt overkluisd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt overkluisd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal overkluisd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal overkluisd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal overkluisd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal overkluisd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal overkluisd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal overkluisd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal overkluisd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal overkluizen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal overkluizen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal overkluizen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn overkluisd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn overkluisd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn overkluisd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt overkluisd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou overkluisd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou overkluisd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou overkluisd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou overkluisd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou overkluisd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou overkluisd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou overkluisd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou overkluisd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou overkluisd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou overkluizen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou overkluizen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou overkluizen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden overkluisd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden overkluisd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden overkluisd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden overkluisd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden overkluisd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden overkluisd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden overkluisd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden overkluisd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden overkluisd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden overkluizen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden overkluizen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden overkluizen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt overkluisd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt overkluisd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt overkluisd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt overkluizen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen overkluisd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen overkluisd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen overkluisd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen overkluisd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen overkluisd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen overkluisd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen overkluisd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen overkluisd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen overkluisd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen overkluizen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen overkluizen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen overkluizen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen overkluizen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult overkluisd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult overkluisd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult overkluisd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult overkluizen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

samenstellende af;eoding van over (bijwoord) en kluis (zelfstandig naamwoord "gewelf") met het achtervoegsel -en dat een (werkwoord) vormt

Woordfamilie van overkluizen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
overkluis gebiedende wijs overkluizen
overkluisd voltooid deelwoord overkluizen
overkluisde verleden tijd overkluizen
overkluisden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon overkluizen
overkluist aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon overkluizen
overkluize aanvoegende wijs overkluizen
overkluizend onvoltooid deelwoord overkluizen
overkluizende woordvorm overkluizen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van overkluizen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over overkluizen

Wat is de betekenis van overkluizen?
Overkluizen is een werkwoord. De betekenis is: een civieltechnisch kunstwerk plaatsen waarmee een weg een andere weg, een plein of een waterloop (kruiselings) overwelfd wordt.
Hoe vervoeg ik overkluizen?
Zo vervoeg je overkluizen zo: de tegenwoordige tijd is overkluis, de verleden tijd is overkluisde en het voltooid deelwoord is overkluisd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord overkluizen is 25 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. V 4
  3. E 1
  4. R 2
  5. K 3
  6. L 3
  7. U 4
  8. I 1
  9. Z 4
  10. E 1
  11. N 1
  12. 25 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

overkluizen levert met Wordfeud minimaal 25 en maximaal 105 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. V 4
  3. E 1
  4. R 2
  5. K 3
  6. L 3
  7. U 2
  8. I 2
  9. Z 5
  10. E 1
  11. N 1
  12. 25 zonder bonus
  13. 105 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

overkluizen in het kort

overkluizen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van overkluizen staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort overkluizen bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

overkluizen: een civieltechnisch kunstwerk plaatsen waarmee een weg een andere weg, een plein of een waterloop (kruiselings) overwelfd wordt.
Deel overkluizen — standaardnederlands.nl