overhebben
werkwoordBetekenis
- na alles gebruikt te hebben wat nodig is toch nog meer hebben, kunnen missen
- een ander iets willen geven of iets voor iemand anders willen doen
Vervoeging van overhebben
overhebbenhele werkwoord — had oververleden tijd enkelvoud — hadden oververleden tijd meervoud — overgehadvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | heb over | had over |
| jij | hebt over | (hadt over) |
| hij, zij, het | heeft over | had over |
| wij | hebben over | hadden over |
| jullie | hebben over | hadden over |
| zij | hebben over | hadden over |
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had over | verleden tijd |
| had overgehad | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had overgehad | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had overgehad | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden overgehad | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden overgehad | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden overgehad | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt overgehad | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb over | gebiedende wijs |
| heb overgehad | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben overgehad | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben overgehad | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben overgehad | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben overgehad | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt overgehad | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft overgehad | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft overgehad | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| over te hebben | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| over te zullen hebben | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| over zal hebben | bijzin, toekomende tijd |
| over zou hebben | bijzin, voorwaardelijk |
| over zouden hebben | bijzin, voorwaardelijk |
| over zoudt hebben | bijzin, voorwaardelijk |
| over zullen hebben | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| over zullen hebben | bijzin, toekomende tijd |
| over zult hebben | bijzin, toekomende tijd |
| overgehad | verleden tijd, deelwoord |
| overgehad te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overgehad zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overhad | bijzin, verleden tijd |
| overhadden | bijzin, verleden tijd |
| overhadt | bijzin, verleden tijd |
| overheb | bijzin, tegenwoordige tijd |
| overhebbend | onvoltooid, deelwoord |
| overhebt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| overheeft | bijzin, tegenwoordige tijd |
| te hebben overgehad | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen overhebben | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal overgehad hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal overgehad hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal overgehad hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal overhebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal overhebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal overhebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal overhebben | bijzin, toekomende tijd |
| zou overgehad hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou overgehad hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou overgehad hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou overhebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou overhebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou overhebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou overhebben | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) overhebben over zou(dt) hebben | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden overgehad hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden overgehad hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden overgehad hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden overhebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden overhebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden overhebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden overhebben | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt overgehad hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt overhebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt overhebben | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen overgehad hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen overgehad hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen overgehad hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen overhebben | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen overhebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen overhebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen overhebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen overhebben | bijzin, toekomende tijd |
| zult overgehad hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult overhebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult overhebben | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal overhebben over zult/zal hebben | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van over en hebben
Woordfamilie van overhebben
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| had over | verleden tijd | overhebben |
| hadden over | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | overhebben |
| heb over | gebiedende wijs | overhebben |
| hebbe over | woordvorm | overhebben |
| hebben over | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | overhebben |
| overgehad | voltooid deelwoord | overhebben |
| overhad | subordinate-clause, verleden tijd | overhebben |
| overhadden | subordinate-clause, verleden tijd | overhebben |
| overheb | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | overhebben |
| overhebbe | with-subordinate-clause | overhebben |
| overhebbend | onvoltooid deelwoord | overhebben |
| overhebbende | woordvorm | overhebben |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van overhebben zijn vastgelegd.