Naar de inhoud

overhebben

na alles gebruikt te hebben wat nodig is toch nog meer hebben, kunnen missen

overhebben

werkwoord

Betekenis

  1. na alles gebruikt te hebben wat nodig is toch nog meer hebben, kunnen missen
  2. een ander iets willen geven of iets voor iemand anders willen doen

Vervoeging van overhebben

overhebbenhele werkwoord — had oververleden tijd enkelvoud — hadden oververleden tijd meervoud — overgehadvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik heb over had over
jij hebt over (hadt over)
hij, zij, het heeft over had over
wij hebben over hadden over
jullie hebben over hadden over
zij hebben over hadden over
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had over verleden tijd
had overgehad voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had overgehad voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had overgehad voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden overgehad voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden overgehad voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden overgehad voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt overgehad voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb over gebiedende wijs
heb overgehad voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben overgehad actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben overgehad voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben overgehad voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben overgehad voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt overgehad voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft overgehad voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft overgehad voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
over te hebben actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
over te zullen hebben actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
over zal hebben bijzin, toekomende tijd
over zou hebben bijzin, voorwaardelijk
over zouden hebben bijzin, voorwaardelijk
over zoudt hebben bijzin, voorwaardelijk
over zullen hebben actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
over zullen hebben bijzin, toekomende tijd
over zult hebben bijzin, toekomende tijd
overgehad verleden tijd, deelwoord
overgehad te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
overgehad zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
overhad bijzin, verleden tijd
overhadden bijzin, verleden tijd
overhadt bijzin, verleden tijd
overheb bijzin, tegenwoordige tijd
overhebbend onvoltooid, deelwoord
overhebt bijzin, tegenwoordige tijd
overheeft bijzin, tegenwoordige tijd
te hebben overgehad actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen overhebben actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal overgehad hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal overgehad hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal overgehad hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal overhebben aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal overhebben aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal overhebben aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal overhebben bijzin, toekomende tijd
zou overgehad hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou overgehad hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou overgehad hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou overhebben aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou overhebben aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou overhebben aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou overhebben bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) overhebben over zou(dt) hebben bijzin, voorwaardelijk
zouden overgehad hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden overgehad hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden overgehad hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden overhebben aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden overhebben aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden overhebben aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden overhebben bijzin, voorwaardelijk
zoudt overgehad hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt overhebben aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt overhebben bijzin, voorwaardelijk
zullen overgehad hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen overgehad hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen overgehad hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen overhebben actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen overhebben aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen overhebben aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen overhebben aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen overhebben bijzin, toekomende tijd
zult overgehad hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult overhebben aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult overhebben bijzin, toekomende tijd
zult/zal overhebben over zult/zal hebben bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van over en hebben

Woordfamilie van overhebben

Woordvorm Relatie Afgeleid van
had over verleden tijd overhebben
hadden over aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon overhebben
heb over gebiedende wijs overhebben
hebbe over woordvorm overhebben
hebben over aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon overhebben
overgehad voltooid deelwoord overhebben
overhad subordinate-clause, verleden tijd overhebben
overhadden subordinate-clause, verleden tijd overhebben
overheb subordinate-clause, tegenwoordige tijd overhebben
overhebbe with-subordinate-clause overhebben
overhebbend onvoltooid deelwoord overhebben
overhebbende woordvorm overhebben

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van overhebben zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over overhebben

Wat betekent overhebben?
Overhebben is een werkwoord. Het woord betekent: na alles gebruikt te hebben wat nodig is toch nog meer hebben, kunnen missen. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je overhebben?
Je vervoegt overhebben als volgt: het voltooid deelwoord is overgehad. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord overhebben is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. V 4
  3. E 1
  4. R 2
  5. H 4
  6. E 1
  7. B 3
  8. B 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

overhebben levert met Wordfeud minimaal 23 en maximaal 93 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. V 4
  3. E 1
  4. R 2
  5. H 4
  6. E 1
  7. B 4
  8. B 4
  9. E 1
  10. N 1
  11. 23 zonder bonus
  12. 93 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

overhebben in het kort

overhebben staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van overhebben zijn 49 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort overhebben bij een woordfamilie van 12 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

overhebben: na alles gebruikt te hebben wat nodig is toch nog meer hebben, kunnen missen
Deel overhebben — standaardnederlands.nl