overgroeien
werkwoordBetekenis
- door begroeien geheel overdekken
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van overgroeien
overgroeienhele werkwoord — overgroeideverleden tijd enkelvoud — overgroeidenverleden tijd meervoud — overgroeidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | overgroei | overgroeide |
| jij | overgroeit | overgroeide |
| hij, zij, het | overgroeit | overgroeide |
| wij | overgroeien | overgroeiden |
| jullie | overgroeien | overgroeiden |
| zij | overgroeien | overgroeiden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had overgroeid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had overgroeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had overgroeid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden overgroeid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden overgroeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden overgroeid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt overgroeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb overgroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben overgroeid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben overgroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben overgroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben overgroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt overgroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft overgroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft overgroeid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| overgroei | gebiedende wijs |
| overgroeid | verleden tijd, deelwoord |
| overgroeid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overgroeid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overgroeide | verleden tijd |
| overgroeie | aanvoegende wijs |
| overgroeiend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben overgroeid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te overgroeien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen overgroeien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal overgroeid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal overgroeid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal overgroeid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal overgroeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal overgroeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal overgroeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou overgroeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou overgroeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou overgroeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou overgroeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou overgroeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou overgroeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden overgroeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden overgroeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden overgroeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden overgroeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden overgroeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden overgroeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt overgroeid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt overgroeien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen overgroeid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen overgroeid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen overgroeid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen overgroeien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen overgroeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen overgroeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen overgroeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult overgroeid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult overgroeien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van over bw en groeien ww
Woordfamilie van overgroeien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| overgroei | gebiedende wijs | overgroeien |
| overgroeid | voltooid deelwoord | overgroeien |
| overgroeide | verleden tijd | overgroeien |
| overgroeiden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | overgroeien |
| overgroeie | aanvoegende wijs | overgroeien |
| overgroeiend | onvoltooid deelwoord | overgroeien |
| overgroeiende | woordvorm | overgroeien |
| overgroeit | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | overgroeien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van overgroeien zijn vastgelegd.