overdragen
werkwoordBetekenis
- in handen van een andere partij geven
Vervoeging van overdragen
overdragenhele werkwoord — droeg oververleden tijd enkelvoud — droegen oververleden tijd meervoud — overgedragenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | draag over | droeg over |
| jij | draagt over | droeg over |
| hij, zij, het | draagt over | droeg over |
| wij | dragen over | droegen over |
| jullie | dragen over | droegen over |
| zij | dragen over | droegen over |
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben overgedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent overgedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| draag over | gebiedende wijs |
| droeg over | verleden tijd |
| er is overgedragen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was overgedragen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd overgedragen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt overgedragen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal overgedragen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal overgedragen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou overgedragen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou overgedragen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had overgedragen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had overgedragen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had overgedragen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden overgedragen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden overgedragen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden overgedragen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt overgedragen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb overgedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben overgedragen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben overgedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben overgedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben overgedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt overgedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft overgedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft overgedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is overgedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is overgedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| over te dragen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| over te zullen dragen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| over zal dragen | bijzin, toekomende tijd |
| over zou dragen | bijzin, voorwaardelijk |
| over zouden dragen | bijzin, voorwaardelijk |
| over zoudt dragen | bijzin, voorwaardelijk |
| over zullen dragen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| over zullen dragen | bijzin, toekomende tijd |
| over zult dragen | bijzin, toekomende tijd |
| overdraag | bijzin, tegenwoordige tijd |
| overdraagt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| overdragend | onvoltooid, deelwoord |
| overdroeg | bijzin, verleden tijd |
| overdroegen | bijzin, verleden tijd |
| overdroegt | bijzin, verleden tijd |
| overgedragen | verleden tijd, deelwoord |
| overgedragen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| overgedragen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| overgedragen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overgedragen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overgedragen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| overgedragen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| overgedragen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| overgedragen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overgedragen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| overgedragen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| te hebben overgedragen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen overdragen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart overgedragen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren overgedragen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren overgedragen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren overgedragen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was overgedragen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was overgedragen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was overgedragen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd overgedragen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd overgedragen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd overgedragen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden overgedragen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden overgedragen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden overgedragen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt overgedragen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word overgedragen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden overgedragen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden overgedragen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden overgedragen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt overgedragen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt overgedragen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal overdragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal overdragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal overdragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal overdragen | bijzin, toekomende tijd |
| zal overgedragen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal overgedragen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal overgedragen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal overgedragen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal overgedragen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal overgedragen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal overgedragen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn overgedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn overgedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn overgedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt overgedragen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou overdragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou overdragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou overdragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou overdragen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou overgedragen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou overgedragen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou overgedragen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou overgedragen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou overgedragen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou overgedragen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou overgedragen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou overgedragen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou overgedragen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) overdragen over zou(dt) dragen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden overdragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden overdragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden overdragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden overdragen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden overgedragen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden overgedragen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden overgedragen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden overgedragen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden overgedragen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden overgedragen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden overgedragen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden overgedragen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden overgedragen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt overdragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt overdragen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt overgedragen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt overgedragen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt overgedragen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen overdragen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen overdragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen overdragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen overdragen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen overdragen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen overgedragen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen overgedragen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen overgedragen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen overgedragen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen overgedragen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen overgedragen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen overgedragen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen overgedragen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen overgedragen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
Herkomst
samenstelling van over bw en dragen ww
Woordfamilie van overdragen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| draag over | gebiedende wijs | overdragen |
| draagt over | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | overdragen |
| drage over | woordvorm | overdragen |
| dragen over | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | overdragen |
| droeg over | verleden tijd | overdragen |
| droegen over | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | overdragen |
| overdraag | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | overdragen |
| overdraagt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | overdragen |
| overdrage | with-subordinate-clause | overdragen |
| overdragend | onvoltooid deelwoord | overdragen |
| overdragende | woordvorm | overdragen |
| overdroeg | subordinate-clause, verleden tijd | overdragen |
| overdroegen | subordinate-clause, verleden tijd | overdragen |
| overgedragen | voltooid deelwoord | overdragen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van overdragen zijn vastgelegd.