ouwehoeren
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- veelvuldig en weinig verstandig praten
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van ouwehoeren
ouwehoerenhele werkwoord — ouwehoerdeverleden tijd enkelvoud — ouwehoerdenverleden tijd meervoud — geouwehoerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ouwehoer | ouwehoerde |
| jij | ouwehoert | ouwehoerde |
| hij, zij, het | ouwehoert | ouwehoerde |
| wij | ouwehoeren | ouwehoerden |
| jullie | ouwehoeren | ouwehoerden |
| zij | ouwehoeren | ouwehoerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geouwehoerd | verleden tijd, deelwoord |
| geouwehoerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geouwehoerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geouwehoerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geouwehoerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geouwehoerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geouwehoerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geouwehoerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geouwehoerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geouwehoerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geouwehoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geouwehoerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geouwehoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geouwehoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geouwehoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geouwehoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geouwehoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geouwehoerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ouwehoer | gebiedende wijs |
| ouwehoerde | verleden tijd |
| ouwehoere | aanvoegende wijs |
| ouwehoerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geouwehoerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ouwehoeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ouwehoeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geouwehoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geouwehoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geouwehoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ouwehoeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ouwehoeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ouwehoeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geouwehoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geouwehoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geouwehoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ouwehoeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ouwehoeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ouwehoeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geouwehoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geouwehoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geouwehoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ouwehoeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ouwehoeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ouwehoeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geouwehoerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ouwehoeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geouwehoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geouwehoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geouwehoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ouwehoeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ouwehoeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ouwehoeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ouwehoeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geouwehoerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ouwehoeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord ouwehoer
Herkomst
In de betekenis van ‘praten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1910
Woordfamilie van ouwehoeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geouwehoerd | voltooid deelwoord | ouwehoeren |
| ouwehoerde | verleden tijd | ouwehoeren |
| ouwehoerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ouwehoeren |
| ouwehoere | aanvoegende wijs | ouwehoeren |
| ouwehoerend | onvoltooid deelwoord | ouwehoeren |
| ouwehoerende | woordvorm | ouwehoeren |
| ouwehoert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ouwehoeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ouwehoeren zijn vastgelegd.