orgel
zelfstandig naamwoord /ˈɔrɣəɫ/Betekenis
- een muziekinstrument dat bestaat uit meerdere losse pijpen waardoor lucht stroomt op een labium en dat ingedeeld wordt bij de aerofonen
- orgel
Hoe spreek je orgel uit?
/ˈɔrxəl/
Orgel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| r | rood |
| x | acht |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| orgels | meervoud |
| orgeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| orgeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘toetsinstrument’ voor het eerst aangetroffen in 1350
Woordfamilie van orgel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| orgels | meervoud | orgel |
| orgeltje | verkleinwoord | orgel |
| orgeltjes | verkleinwoord meervoud | orgel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van orgel zijn vastgelegd.