orgelpijp
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een van de buizen van een orgel waar het geluid uit komt
- karstpijp, een diepe koker in kalksteen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| orgelpijpen | meervoud |
| orgelpijpje | verkleinwoord, enkelvoud |
| orgelpijpjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van orgel zn en pijp zn
Woordfamilie van orgelpijp
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| orgelpijpen | meervoud | orgelpijp |
| orgelpijpje | verkleinwoord | orgelpijp |
| orgelpijpjes | verkleinwoord meervoud | orgelpijp |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van orgelpijp zijn vastgelegd.