orgelspeler
zelfstandig naamwoordBetekenis
- musicus die zich toelegt op het bespelen van het orgel
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| orgelspelers | meervoud |
| orgelspelertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| orgelspelertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van orgel en speler
Woordfamilie van orgelspeler
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| orgelspelers | meervoud | orgelspeler |
| orgelspelertje | verkleinwoord | orgelspeler |
| orgelspelertjes | verkleinwoord meervoud | orgelspeler |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van orgelspeler zijn vastgelegd.