Naar de inhoud

opzijleggen

geld ~ sparen, in een aparte pot doen

opzijleggen

werkwoord

Betekenis

  1. geld ~ sparen, in een aparte pot doen
  2. buiten de gebruikelijke roulatie leggen
  3. tweede betekenisomschrijving
  4. enz.

Vervoeging van opzijleggen

opzijleggenhele werkwoord — legde opzijverleden tijd enkelvoud — legden opzijverleden tijd meervoud — opzijgelegdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik leg opzij legde opzij
jij legt opzij legde opzij
hij, zij, het legt opzij legde opzij
wij leggen opzij legden opzij
jullie leggen opzij legden opzij
zij leggen opzij legden opzij
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opzijgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opzijgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opzijgelegd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opzijgelegd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opzijgelegd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opzijgelegd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opzijgelegd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opzijgelegd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opzijgelegd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opzijgelegd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opzijgelegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opzijgelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opzijgelegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opzijgelegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opzijgelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opzijgelegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opzijgelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opzijgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opzijgelegd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opzijgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opzijgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opzijgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opzijgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opzijgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opzijgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opzijgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opzijgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
leg opzij gebiedende wijs
legde opzij verleden tijd
opzij te leggen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opzij te zullen leggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opzij zal leggen bijzin, toekomende tijd
opzij zou leggen bijzin, voorwaardelijk
opzij zouden leggen bijzin, voorwaardelijk
opzij zoudt leggen bijzin, voorwaardelijk
opzij zullen leggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opzij zullen leggen bijzin, toekomende tijd
opzij zult leggen bijzin, toekomende tijd
opzijgelegd verleden tijd, deelwoord
opzijgelegd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opzijgelegd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opzijgelegd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opzijgelegd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opzijgelegd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opzijgelegd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opzijgelegd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opzijgelegd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opzijgelegd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opzijgelegd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opzijleg bijzin, tegenwoordige tijd
opzijlegde bijzin, verleden tijd
opzijlegden bijzin, verleden tijd
opzijleggend onvoltooid, deelwoord
opzijlegt bijzin, tegenwoordige tijd
te hebben opzijgelegd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opzijleggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opzijgelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opzijgelegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opzijgelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opzijgelegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opzijgelegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opzijgelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opzijgelegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opzijgelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opzijgelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opzijgelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opzijgelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opzijgelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opzijgelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opzijgelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opzijgelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opzijgelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opzijgelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opzijgelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opzijgelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opzijgelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opzijgelegd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opzijgelegd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opzijgelegd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opzijgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opzijgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opzijgelegd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opzijgelegd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opzijleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opzijleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opzijleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opzijleggen bijzin, toekomende tijd
zijn opzijgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opzijgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opzijgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opzijgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opzijgelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opzijgelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opzijgelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opzijgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opzijgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opzijgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opzijgelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opzijgelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opzijgelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opzijleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opzijleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opzijleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opzijleggen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) opzijleggen opzij zou(dt) leggen bijzin, voorwaardelijk
zouden opzijgelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opzijgelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opzijgelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opzijgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opzijgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opzijgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opzijgelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opzijgelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opzijgelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opzijleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opzijleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opzijleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opzijleggen bijzin, voorwaardelijk
zoudt opzijgelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opzijgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opzijgelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opzijleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opzijleggen bijzin, voorwaardelijk
zullen opzijgelegd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opzijgelegd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opzijgelegd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opzijgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opzijgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opzijgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opzijgelegd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opzijgelegd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opzijgelegd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opzijleggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opzijleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opzijleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opzijleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opzijleggen bijzin, toekomende tijd
zult opzijgelegd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van opzij en leggen

Woordfamilie van opzijleggen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
leg opzij gebiedende wijs opzijleggen
legde opzij verleden tijd opzijleggen
legden opzij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opzijleggen
legge opzij woordvorm opzijleggen
leggen opzij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opzijleggen
legt opzij aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opzijleggen
opzijgelegd voltooid deelwoord opzijleggen
opzijgelegde woordvorm opzijleggen
opzijleg subordinate-clause, tegenwoordige tijd opzijleggen
opzijlegde subordinate-clause, verleden tijd opzijleggen
opzijlegden subordinate-clause, verleden tijd opzijleggen
opzijlegge with-subordinate-clause opzijleggen
opzijleggend onvoltooid deelwoord opzijleggen
opzijleggende woordvorm opzijleggen
opzijlegt subordinate-clause, tegenwoordige tijd opzijleggen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opzijleggen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opzijleggen

Wat is de betekenis van opzijleggen?
Opzijleggen is een werkwoord. De betekenis is: geld ~ sparen, in een aparte pot doen. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik opzijleggen?
Zo vervoeg je opzijleggen zo: het voltooid deelwoord is opzijgelegd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opzijleggen is 25 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. Z 4
  4. I 1
  5. J 4
  6. L 3
  7. E 1
  8. G 3
  9. G 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 25 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opzijleggen levert met Wordfeud minimaal 28 en maximaal 114 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. Z 5
  4. I 2
  5. J 4
  6. L 3
  7. E 1
  8. G 3
  9. G 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 28 zonder bonus
  13. 114 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opzijleggen in het kort

opzijleggen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van opzijleggen staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort opzijleggen bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

opzijleggen: geld ~ sparen, in een aparte pot doen
Deel opzijleggen — standaardnederlands.nl