Naar de inhoud

opzeggen

mededelen dat men een eerdere overeenkomst beëindigt

opzeggen

werkwoord ˈɔpsɛxə(n)

Betekenis

  1. mededelen dat men een eerdere overeenkomst beëindigt
  2. iets wat men uit het hoofd geleerd heeft laten horen

Hoe spreek je opzeggen uit?

/ˈɔpsɛxən/

Opzeggen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɔpsɛxən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɔ bot
p pak
s sok
ɛ bed
x acht
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van opzeggen

opzeggenhele werkwoord — zegde opverleden tijd enkelvoud — zegden opverleden tijd meervoud — opgezegdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zeg op zegde op
jij zegt op zegde op
hij, zij, het zegt op zegde op
wij zeggen op zegden op
jullie zeggen op zegden op
zij zeggen op zegden op
Alle 149 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgezegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgezegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgezegd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgezegd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgezegd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgezegd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgezegd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgezegd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgezegd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgezegd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgezegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgezegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgezegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgezegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgezegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgezegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgezegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgezegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgezegd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgezegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgezegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgezegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgezegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgezegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgezegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgezegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgezegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te zeggen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen zeggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal zeggen bijzin, toekomende tijd
op zou zeggen bijzin, voorwaardelijk
op zouden zeggen bijzin, voorwaardelijk
op zoudt zeggen bijzin, voorwaardelijk
op zullen zeggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen zeggen bijzin, toekomende tijd
op zult zeggen bijzin, toekomende tijd
opgezegd verleden tijd, deelwoord
opgezegd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgezegd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgezegd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgezegd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgezegd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgezegd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgezegd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgezegd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgezegd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgezegd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opzeg bijzin, tegenwoordige tijd
opzegde bijzin, verleden tijd
opzegden bijzin, verleden tijd
opzeggend onvoltooid, deelwoord
opzegt bijzin, tegenwoordige tijd
opzei bijzin, verleden tijd
opzeiden bijzin, verleden tijd
opzeidet, opzegdet bijzin, verleden tijd
te hebben opgezegd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opzeggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgezegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgezegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgezegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgezegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgezegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgezegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgezegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgezegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgezegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgezegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgezegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgezegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgezegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgezegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgezegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgezegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgezegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgezegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgezegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgezegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opgezegd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgezegd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgezegd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgezegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgezegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgezegd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgezegd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opzeggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opzeggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opzeggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opzeggen bijzin, toekomende tijd
zeg op gebiedende wijs
zegde op verleden tijd
zei op verleden tijd
zijn opgezegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgezegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgezegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgezegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgezegd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgezegd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgezegd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgezegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgezegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgezegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgezegd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgezegd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgezegd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opzeggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opzeggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opzeggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opzeggen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) opzeggen op zou(dt) zeggen bijzin, voorwaardelijk
zouden opgezegd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgezegd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgezegd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgezegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgezegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgezegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgezegd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgezegd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgezegd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opzeggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opzeggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opzeggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opzeggen bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgezegd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgezegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgezegd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opzeggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opzeggen bijzin, voorwaardelijk
zullen opgezegd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgezegd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgezegd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgezegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgezegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgezegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgezegd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgezegd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgezegd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opzeggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opzeggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon

Herkomst

samenstelling van op en zeggen

Woordfamilie van opzeggen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
opgezegd voltooid deelwoord opzeggen
opgezegde woordvorm opzeggen
opzeg subordinate-clause, tegenwoordige tijd opzeggen
opzegde subordinate-clause, verleden tijd opzeggen
opzegden subordinate-clause, verleden tijd opzeggen
opzegge with-subordinate-clause opzeggen
opzeggend onvoltooid deelwoord opzeggen
opzeggende woordvorm opzeggen
opzegt subordinate-clause, tegenwoordige tijd opzeggen
opzei subordinate-clause, verleden tijd opzeggen
opzeiden subordinate-clause, verleden tijd opzeggen
zeg op gebiedende wijs opzeggen
zegde op verleden tijd opzeggen
zegden op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opzeggen
zegge op woordvorm opzeggen
zeggen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opzeggen
zegt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opzeggen
zei op verleden tijd opzeggen
zeiden op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opzeggen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opzeggen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opzeggen

Hoe spreek je opzeggen uit?
De uitspraak van opzeggen is: /ˈɔpsɛxə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent opzeggen?
Opzeggen is een werkwoord. Het woord betekent: mededelen dat men een eerdere overeenkomst beëindigt. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je opzeggen?
Je vervoegt opzeggen als volgt: het voltooid deelwoord is opgezegd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opzeggen is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. Z 4
  4. E 1
  5. G 3
  6. G 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opzeggen levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. Z 5
  4. E 1
  5. G 3
  6. G 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 19 zonder bonus
  10. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opzeggen in het kort

opzeggen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van opzeggen zijn 94 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort opzeggen bij een woordfamilie van 19 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

opzeggen: mededelen dat men een eerdere overeenkomst beëindigt
Deel opzeggen — standaardnederlands.nl