opwinden
werkwoord ˈɔpwɪndə(n)Betekenis
- rond een as of klos wikkelen
- draaiend onder spanning zetten
- in staat van agitatie brengen
- zich ~ over: iets doen dat tot emotionele spanning leidt
Hoe spreek je opwinden uit?
/ˈɔpwɪndən/
Opwinden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| p | pak |
| w | quiz |
| ɪ | pit |
| n | nek |
| d | dak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- erotisch prikkelen transitive
Vervoeging van opwinden
opwindenhele werkwoord — wond opverleden tijd enkelvoud — wonden opverleden tijd meervoud — opgewondenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | wind op | wond op |
| jij | windt op | wond op |
| hij, zij, het | windt op | wond op |
| wij | winden op | wonden op |
| jullie | winden op | wonden op |
| zij | winden op | wonden op |
Alle 159 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opgewonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgewonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is opgewonden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgewonden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgewonden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgewonden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgewonden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgewonden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgewonden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgewonden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgewonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgewonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgewonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgewonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgewonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgewonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgewonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgewonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgewonden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgewonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgewonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgewonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgewonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgewonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgewonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is opgewonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgewonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te winden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen winden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal winden | bijzin, toekomende tijd |
| op zou winden | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden winden | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt winden | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen winden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen winden | bijzin, toekomende tijd |
| op zult winden | bijzin, toekomende tijd |
| opgewonden | verleden tijd, deelwoord |
| opgewonden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgewonden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgewonden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgewonden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgewonden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgewonden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgewonden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgewonden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgewonden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgewonden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opwind | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opwindend | onvoltooid, deelwoord |
| opwindt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opwond | bijzin, verleden tijd |
| opwonden | bijzin, verleden tijd |
| opwondt | bijzin, verleden tijd |
| te hebben opgewonden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opwinden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgewonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgewonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgewonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgewonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgewonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgewonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgewonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgewonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgewonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgewonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgewonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgewonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgewonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgewonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| wind op | gebiedende wijs |
| wind u/je op, windt je op | gebiedende wijs |
| wond op | verleden tijd |
| word opgewonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgewonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgewonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgewonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgewonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgewonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me opwinden | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal opgewonden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgewonden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgewonden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgewonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgewonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgewonden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgewonden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opwinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opwinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opwinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opwinden | bijzin, toekomende tijd |
| zal zich opwinden | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je opwinden | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich opgewonden hebben | verleden tijd |
| zich opwindend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn opgewonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgewonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgewonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgewonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opgewonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgewonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgewonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgewonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgewonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgewonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgewonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgewonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgewonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opwinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opwinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opwinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opwinden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) opwinden op zou(dt) winden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgewonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgewonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgewonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgewonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgewonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgewonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgewonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgewonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgewonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opwinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opwinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opwinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opwinden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgewonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgewonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgewonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opwinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opwinden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen je opwinden | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons opwinden | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen opgewonden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgewonden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgewonden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgewonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgewonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgewonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
Herkomst
samenstelling van op bw en winden ww
Woordfamilie van opwinden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| opgewonden | voltooid deelwoord | opwinden |
| opwind | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opwinden |
| opwinde | with-subordinate-clause | opwinden |
| opwindt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opwinden |
| opwond | subordinate-clause, verleden tijd | opwinden |
| opwonden | subordinate-clause, verleden tijd | opwinden |
| wind op | gebiedende wijs | opwinden |
| winde op | woordvorm | opwinden |
| winden op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opwinden |
| windt op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opwinden |
| wond op | verleden tijd | opwinden |
| wonden op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opwinden |
| wondt op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | opwinden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opwinden zijn vastgelegd.