Naar de inhoud

opwinden

rond een as of klos wikkelen

opwinden

werkwoord ˈɔpwɪndə(n)

Betekenis

  1. rond een as of klos wikkelen
  2. draaiend onder spanning zetten
  3. in staat van agitatie brengen
  4. zich ~ over: iets doen dat tot emotionele spanning leidt

Hoe spreek je opwinden uit?

/ˈɔpwɪndən/

Opwinden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɔpwɪndən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɔ bot
p pak
w quiz
ɪ pit
n nek
d dak
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. erotisch prikkelen transitive

Vervoeging van opwinden

opwindenhele werkwoord — wond opverleden tijd enkelvoud — wonden opverleden tijd meervoud — opgewondenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik wind op wond op
jij windt op wond op
hij, zij, het windt op wond op
wij winden op wonden op
jullie winden op wonden op
zij winden op wonden op
Alle 159 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgewonden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgewonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgewonden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgewonden impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgewonden impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgewonden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgewonden worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgewonden zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgewonden worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgewonden zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgewonden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgewonden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgewonden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgewonden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgewonden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgewonden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgewonden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgewonden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgewonden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgewonden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgewonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgewonden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgewonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgewonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgewonden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgewonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgewonden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te winden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen winden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal winden bijzin, toekomende tijd
op zou winden bijzin, voorwaardelijk
op zouden winden bijzin, voorwaardelijk
op zoudt winden bijzin, voorwaardelijk
op zullen winden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen winden bijzin, toekomende tijd
op zult winden bijzin, toekomende tijd
opgewonden verleden tijd, deelwoord
opgewonden te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgewonden te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgewonden te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgewonden te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgewonden te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgewonden worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgewonden zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgewonden zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgewonden zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgewonden zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opwind bijzin, tegenwoordige tijd
opwindend onvoltooid, deelwoord
opwindt bijzin, tegenwoordige tijd
opwond bijzin, verleden tijd
opwonden bijzin, verleden tijd
opwondt bijzin, verleden tijd
te hebben opgewonden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opwinden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgewonden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgewonden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgewonden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgewonden voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgewonden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgewonden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgewonden voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgewonden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgewonden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgewonden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgewonden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgewonden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgewonden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgewonden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
wind op gebiedende wijs
wind u/je op, windt je op gebiedende wijs
wond op verleden tijd
word opgewonden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgewonden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgewonden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgewonden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgewonden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgewonden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal me opwinden eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal opgewonden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgewonden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgewonden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgewonden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgewonden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgewonden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgewonden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opwinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opwinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opwinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opwinden bijzin, toekomende tijd
zal zich opwinden derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je opwinden tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich opgewonden hebben verleden tijd
zich opwindend onvoltooid, deelwoord
zijn opgewonden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgewonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgewonden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgewonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgewonden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgewonden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgewonden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgewonden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgewonden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgewonden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgewonden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgewonden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgewonden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opwinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opwinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opwinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opwinden bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) opwinden op zou(dt) winden bijzin, voorwaardelijk
zouden opgewonden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgewonden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgewonden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgewonden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgewonden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgewonden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgewonden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgewonden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgewonden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opwinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opwinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opwinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opwinden bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgewonden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgewonden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgewonden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opwinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opwinden bijzin, voorwaardelijk
zullen je opwinden tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons opwinden eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen opgewonden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgewonden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgewonden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgewonden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgewonden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgewonden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon

Herkomst

samenstelling van op bw en winden ww

Woordfamilie van opwinden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
opgewonden voltooid deelwoord opwinden
opwind subordinate-clause, tegenwoordige tijd opwinden
opwinde with-subordinate-clause opwinden
opwindt subordinate-clause, tegenwoordige tijd opwinden
opwond subordinate-clause, verleden tijd opwinden
opwonden subordinate-clause, verleden tijd opwinden
wind op gebiedende wijs opwinden
winde op woordvorm opwinden
winden op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opwinden
windt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opwinden
wond op verleden tijd opwinden
wonden op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opwinden
wondt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon opwinden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opwinden zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opwinden

Hoe spreek je opwinden uit?
De uitspraak van opwinden is: /ˈɔpwɪndə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent opwinden?
Opwinden is een werkwoord. Het woord betekent: rond een as of klos wikkelen. Deze pagina beschrijft 5 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je opwinden?
Je vervoegt opwinden als volgt: het voltooid deelwoord is opgewonden. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opwinden is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. W 5
  4. I 1
  5. N 1
  6. D 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opwinden levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. W 5
  4. I 2
  5. N 1
  6. D 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 zonder bonus
  10. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opwinden in het kort

opwinden staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 5 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van opwinden zijn 101 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort opwinden bij een woordfamilie van 13 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

opwinden: rond een as of klos wikkelen
Deel opwinden — standaardnederlands.nl