Naar de inhoud

opwarmen

warmte toevoegen aan iets

opwarmen

werkwoord ˈɔpwɑrmə(n)

Betekenis

  1. warmte toevoegen aan iets
  2. een proces van temperatuurstijging ondergaan

Hoe spreek je opwarmen uit?

/ˈɔpwɑrmən/

Opwarmen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɔpwɑrmən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɔ bot
p pak
w quiz
ɑ bad
r rood
m maan
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van opwarmen

opwarmenhele werkwoord — warmde opverleden tijd enkelvoud — warmden opverleden tijd meervoud — opgewarmdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik warm op warmde op
jij warmt op warmde op
hij, zij, het warmt op warmde op
wij warmen op warmden op
jullie warmen op warmden op
zij warmen op warmden op
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgewarmd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgewarmd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgewarmd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgewarmd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgewarmd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgewarmd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgewarmd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgewarmd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgewarmd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgewarmd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgewarmd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgewarmd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgewarmd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgewarmd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgewarmd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgewarmd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgewarmd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgewarmd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgewarmd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgewarmd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgewarmd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgewarmd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgewarmd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgewarmd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgewarmd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgewarmd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgewarmd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te warmen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen warmen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal warmen bijzin, toekomende tijd
op zou warmen bijzin, voorwaardelijk
op zouden warmen bijzin, voorwaardelijk
op zoudt warmen bijzin, voorwaardelijk
op zullen warmen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen warmen bijzin, toekomende tijd
op zult warmen bijzin, toekomende tijd
opgewarmd verleden tijd, deelwoord
opgewarmd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgewarmd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgewarmd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgewarmd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgewarmd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgewarmd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgewarmd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgewarmd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgewarmd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgewarmd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opwarm bijzin, tegenwoordige tijd
opwarmde bijzin, verleden tijd
opwarmden bijzin, verleden tijd
opwarmend onvoltooid, deelwoord
opwarmt bijzin, tegenwoordige tijd
te hebben opgewarmd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opwarmen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgewarmd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgewarmd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgewarmd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgewarmd voltooid, verleden tijd, derde persoon
warm op gebiedende wijs
warmde op verleden tijd
was opgewarmd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgewarmd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgewarmd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgewarmd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgewarmd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgewarmd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgewarmd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgewarmd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgewarmd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgewarmd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgewarmd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgewarmd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgewarmd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgewarmd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgewarmd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgewarmd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opgewarmd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgewarmd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgewarmd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgewarmd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgewarmd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgewarmd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgewarmd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opwarmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opwarmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opwarmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opwarmen bijzin, toekomende tijd
zijn opgewarmd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgewarmd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgewarmd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgewarmd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgewarmd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgewarmd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgewarmd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgewarmd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgewarmd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgewarmd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgewarmd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgewarmd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgewarmd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opwarmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opwarmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opwarmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opwarmen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) opwarmen op zou(dt) warmen bijzin, voorwaardelijk
zouden opgewarmd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgewarmd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgewarmd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgewarmd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgewarmd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgewarmd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgewarmd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgewarmd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgewarmd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opwarmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opwarmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opwarmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opwarmen bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgewarmd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgewarmd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgewarmd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opwarmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opwarmen bijzin, voorwaardelijk
zullen opgewarmd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgewarmd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgewarmd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgewarmd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgewarmd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgewarmd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgewarmd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgewarmd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgewarmd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opwarmen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opwarmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opwarmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opwarmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opwarmen bijzin, toekomende tijd
zult opgewarmd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van op bw en warmen ww

Woordfamilie van opwarmen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
opgewarmd voltooid deelwoord opwarmen
opgewarmde woordvorm opwarmen
opwarm subordinate-clause, tegenwoordige tijd opwarmen
opwarmde subordinate-clause, verleden tijd opwarmen
opwarmden subordinate-clause, verleden tijd opwarmen
opwarme with-subordinate-clause opwarmen
opwarmend onvoltooid deelwoord opwarmen
opwarmende woordvorm opwarmen
opwarmt subordinate-clause, tegenwoordige tijd opwarmen
warm op gebiedende wijs opwarmen
warmde op verleden tijd opwarmen
warmden op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opwarmen
warme op woordvorm opwarmen
warmen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opwarmen
warmt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opwarmen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opwarmen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opwarmen

Hoe spreek ik opwarmen uit?
Zo spreek je opwarmen uit: /ˈɔpwɑrmə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van opwarmen?
Opwarmen is een werkwoord. De betekenis is: warmte toevoegen aan iets. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik opwarmen?
Zo vervoeg je opwarmen zo: het voltooid deelwoord is opgewarmd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opwarmen is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. W 5
  4. A 1
  5. R 2
  6. M 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opwarmen levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. W 5
  4. A 1
  5. R 2
  6. M 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 18 zonder bonus
  10. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opwarmen in het kort

opwarmen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van opwarmen staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort opwarmen bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

opwarmen: warmte toevoegen aan iets
Deel opwarmen — standaardnederlands.nl