Naar de inhoud

opvissen

door te vissen aan boord brengen

opvissen

werkwoord

Betekenis

  1. door te vissen aan boord brengen
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

Vervoeging van opvissen

opvissenhele werkwoord — viste opverleden tijd enkelvoud — visten opverleden tijd meervoud — opgevistvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik vis op viste op
jij vist op viste op
hij, zij, het vist op viste op
wij vissen op visten op
jullie vissen op visten op
zij vissen op visten op
Alle 107 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
er is opgevist impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgevist impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgevist impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgevist impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgevist worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgevist zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgevist worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgevist zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgevist voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgevist voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgevist voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgevist voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgevist voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgevist voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgevist voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgevist voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgevist actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgevist voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgevist voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgevist voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgevist voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgevist voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgevist voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgevist voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te vissen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen vissen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal vissen bijzin, toekomende tijd
op zou vissen bijzin, voorwaardelijk
op zouden vissen bijzin, voorwaardelijk
op zoudt vissen bijzin, voorwaardelijk
op zullen vissen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen vissen bijzin, toekomende tijd
op zult vissen bijzin, toekomende tijd
opgevist verleden tijd, deelwoord
opgevist te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgevist te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgevist te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgevist te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgevist te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgevist worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgevist zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgevist zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgevist zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgevist zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opvis bijzin, tegenwoordige tijd
opvissend onvoltooid, deelwoord
opvist bijzin, tegenwoordige tijd
opviste bijzin, verleden tijd
opvisten bijzin, verleden tijd
te hebben opgevist actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opvissen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vis op gebiedende wijs
viste op verleden tijd
waren opgevist voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgevist voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgevist enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werden opgevist enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
worden opgevist enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgevist enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
zal opgevist hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgevist hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgevist hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgevist worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgevist zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opvissen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opvissen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opvissen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opvissen bijzin, toekomende tijd
zijn opgevist voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zou opgevist hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgevist hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgevist hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgevist worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgevist zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opvissen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opvissen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opvissen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opvissen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) opvissen op zou(dt) vissen bijzin, voorwaardelijk
zouden opgevist hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgevist hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgevist hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgevist worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgevist zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opvissen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opvissen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opvissen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opvissen bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgevist hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opvissen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opvissen bijzin, voorwaardelijk
zullen opgevist hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgevist hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgevist hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgevist worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgevist zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opvissen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opvissen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opvissen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opvissen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opvissen bijzin, toekomende tijd
zult opgevist hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult opvissen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult opvissen bijzin, toekomende tijd
zult/zal opvissen op zult/zal vissen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van op en vissen

Woordfamilie van opvissen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
opgevist voltooid deelwoord opvissen
opgeviste woordvorm opvissen
opvis subordinate-clause, tegenwoordige tijd opvissen
opvisse with-subordinate-clause opvissen
opvissend onvoltooid deelwoord opvissen
opvissende woordvorm opvissen
opvist subordinate-clause, tegenwoordige tijd opvissen
opviste subordinate-clause, verleden tijd opvissen
opvisten subordinate-clause, verleden tijd opvissen
vis op gebiedende wijs opvissen
visse op woordvorm opvissen
vissen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opvissen
vist op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opvissen
viste op verleden tijd opvissen
visten op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opvissen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opvissen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opvissen

Wat betekent opvissen?
Opvissen is een werkwoord. Het woord betekent: door te vissen aan boord brengen. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je opvissen?
Je vervoegt opvissen als volgt: het voltooid deelwoord is opgevist. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opvissen is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. V 4
  4. I 1
  5. S 2
  6. S 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opvissen levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. V 4
  4. I 2
  5. S 2
  6. S 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 zonder bonus
  10. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opvissen in het kort

opvissen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van opvissen zijn 78 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort opvissen bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

opvissen: door te vissen aan boord brengen
Deel opvissen — standaardnederlands.nl