opvatten
werkwoordBetekenis
- ~ als een bepaalde interpretatie aan iets geven
- opnemen van met name werk
Vervoeging van opvatten
opvattenhele werkwoord — vatte opverleden tijd enkelvoud — vatten opverleden tijd meervoud — opgevatvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vat op | vatte op |
| jij | vat op | vatte op |
| hij, zij, het | vat op | vatte op |
| wij | vatten op | vatten op |
| jullie | vatten op | vatten op |
| zij | vatten op | vatten op |
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opgevat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgevat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is opgevat | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgevat | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgevat | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgevat | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgevat worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgevat zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgevat worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgevat zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgevat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgevat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgevat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgevat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgevat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgevat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgevat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgevat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgevat | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgevat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgevat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgevat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgevat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgevat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgevat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is opgevat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgevat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te vatten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen vatten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal vatten | bijzin, toekomende tijd |
| op zou vatten | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden vatten | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt vatten | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen vatten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen vatten | bijzin, toekomende tijd |
| op zult vatten | bijzin, toekomende tijd |
| opgevat | verleden tijd, deelwoord |
| opgevat te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgevat te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgevat te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgevat te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgevat te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgevat worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgevat zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgevat zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgevat zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgevat zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opvat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opvatte | bijzin, verleden tijd |
| opvattend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben opgevat | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opvatten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vat op | gebiedende wijs |
| vatte op | verleden tijd |
| waart opgevat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgevat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgevat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgevat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgevat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgevat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgevat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgevat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgevat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgevat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgevat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgevat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgevat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgevat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgevat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgevat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgevat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgevat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgevat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgevat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opgevat hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgevat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgevat hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgevat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgevat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgevat zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgevat zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opvatten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn opgevat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgevat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgevat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgevat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opgevat hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgevat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgevat hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgevat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgevat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgevat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgevat zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgevat zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgevat zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opvatten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) opvatten op zou(dt) vatten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgevat hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgevat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgevat hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgevat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgevat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgevat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgevat zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgevat zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgevat zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opvatten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgevat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgevat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgevat zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opvatten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgevat hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgevat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgevat hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgevat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgevat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgevat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgevat zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgevat zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgevat zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opvatten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opvatten | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgevat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult opgevat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult opgevat zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van opvatten
Vervoeging van opvatten
opvattenhele werkwoord — vatte opverleden tijd enkelvoud — vatten opverleden tijd meervoud — opgevatvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vat op | vatte op |
| jij | vat op | vatte op |
| hij, zij, het | vat op | vatte op |
| wij | vatten op | vatten op |
| jullie | vatten op | vatten op |
| zij | vatten op | vatten op |
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opgevat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgevat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is opgevat | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgevat | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgevat | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgevat | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgevat worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgevat zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgevat worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgevat zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgevat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgevat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgevat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgevat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgevat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgevat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgevat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgevat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgevat | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgevat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgevat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgevat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgevat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgevat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgevat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is opgevat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgevat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te vatten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen vatten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal vatten | bijzin, toekomende tijd |
| op zou vatten | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden vatten | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt vatten | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen vatten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen vatten | bijzin, toekomende tijd |
| op zult vatten | bijzin, toekomende tijd |
| opgevat | verleden tijd, deelwoord |
| opgevat te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgevat te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgevat te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgevat te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgevat te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgevat worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgevat zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgevat zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgevat zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgevat zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opvat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opvatte | bijzin, verleden tijd |
| opvattend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben opgevat | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opvatten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vat op | gebiedende wijs |
| vatte op | verleden tijd |
| waart opgevat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgevat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgevat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgevat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgevat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgevat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgevat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgevat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgevat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgevat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgevat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgevat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgevat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgevat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgevat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgevat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgevat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgevat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgevat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgevat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opgevat hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgevat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgevat hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgevat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgevat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgevat zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgevat zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opvatten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn opgevat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgevat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgevat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgevat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opgevat hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgevat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgevat hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgevat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgevat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgevat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgevat zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgevat zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgevat zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opvatten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) opvatten op zou(dt) vatten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgevat hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgevat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgevat hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgevat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgevat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgevat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgevat zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgevat zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgevat zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opvatten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgevat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgevat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgevat zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opvatten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgevat hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgevat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgevat hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgevat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgevat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgevat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgevat zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgevat zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgevat zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opvatten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opvatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opvatten | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgevat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult opgevat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult opgevat zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van op en vatten
Woordfamilie van opvatten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| opgevat | voltooid deelwoord | opvatten |
| opgevatte | woordvorm | opvatten |
| opvat | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opvatten |
| opvatte | subordinate-clause, verleden tijd | opvatten |
| opvattend | onvoltooid deelwoord | opvatten |
| opvattende | woordvorm | opvatten |
| vat op | gebiedende wijs | opvatten |
| vatte op | verleden tijd | opvatten |
| vatten op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opvatten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opvatten zijn vastgelegd.