opvallen
werkwoord /'ɔpfɑlə(n)/Betekenis
- gemakkelijk opgemerkt worden, opzien baren
- opmerken, waarnemen
Hoe spreek je opvallen uit?
/ˈɔpfɑlən/
Opvallen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| p | pak |
| f | fiets |
| ɑ | bad |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van opvallen
opvallenhele werkwoord — viel opverleden tijd enkelvoud — vielen opverleden tijd meervoud — opgevallenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | val op | viel op |
| jij | valt op | viel op |
| hij, zij, het | valt op | viel op |
| wij | vallen op | vielen op |
| jullie | vallen op | vielen op |
| zij | vallen op | vielen op |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben opgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is opgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te vallen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen vallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal vallen | bijzin, toekomende tijd |
| op zou vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen vallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen vallen | bijzin, toekomende tijd |
| op zult vallen | bijzin, toekomende tijd |
| opgevallen | verleden tijd, deelwoord |
| opgevallen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgevallen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opval | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opvallend | onvoltooid, deelwoord |
| opvalt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opviel | bijzin, verleden tijd |
| opvielen | bijzin, verleden tijd |
| te zijn opgevallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opvallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| val op | gebiedende wijs |
| viel op | verleden tijd |
| waart opgevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgevallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgevallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgevallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgevallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal opgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn opgevallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn opgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) opvallen op zou(dt) vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opvallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult opvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult opvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal opvallen op zult/zal vallen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van op bw en vallen ww
Woordfamilie van opvallen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| opgevallen | voltooid deelwoord | opvallen |
| opval | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opvallen |
| opvalle | with-subordinate-clause | opvallen |
| opvalt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opvallen |
| opviel | subordinate-clause, verleden tijd | opvallen |
| opvielen | subordinate-clause, verleden tijd | opvallen |
| val op | gebiedende wijs | opvallen |
| valle op | woordvorm | opvallen |
| vallen op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opvallen |
| valt op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opvallen |
| viel op | verleden tijd | opvallen |
| vielen op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opvallen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opvallen zijn vastgelegd.