Naar de inhoud

opstrijken

met een strijkijzer in de vereiste toestand brengen

opstrijken

werkwoord

Betekenis

  1. met een strijkijzer in de vereiste toestand brengen
  2. ontvangen, toucheren

Vervoeging van opstrijken

opstrijkenhele werkwoord — streek opverleden tijd enkelvoud — streken opverleden tijd meervoud — opgestrekenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik strijk op streek op
jij strijkt op streek op
hij, zij, het strijkt op streek op
wij strijken op streken op
jullie strijken op streken op
zij strijken op streken op
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgestreken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgestreken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgestreken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgestreken impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgestreken impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgestreken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgestreken worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgestreken zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgestreken worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgestreken zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgestreken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgestreken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgestreken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgestreken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgestreken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgestreken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgestreken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgestreken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgestreken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgestreken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgestreken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgestreken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgestreken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgestreken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgestreken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgestreken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgestreken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te strijken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen strijken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal strijken bijzin, toekomende tijd
op zou strijken bijzin, voorwaardelijk
op zouden strijken bijzin, voorwaardelijk
op zoudt strijken bijzin, voorwaardelijk
op zullen strijken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen strijken bijzin, toekomende tijd
op zult strijken bijzin, toekomende tijd
opgestreken verleden tijd, deelwoord
opgestreken te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgestreken te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgestreken te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgestreken te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgestreken te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgestreken worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgestreken zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgestreken zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgestreken zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgestreken zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opstreek bijzin, verleden tijd
opstreken bijzin, verleden tijd
opstrijk bijzin, tegenwoordige tijd
opstrijkend onvoltooid, deelwoord
opstrijkt bijzin, tegenwoordige tijd
streek op verleden tijd
strijk op gebiedende wijs
te hebben opgestreken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opstrijken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgestreken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgestreken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgestreken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgestreken voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgestreken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgestreken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgestreken voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgestreken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgestreken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgestreken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgestreken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgestreken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgestreken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgestreken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgestreken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgestreken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgestreken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgestreken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgestreken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgestreken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opgestreken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgestreken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgestreken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgestreken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgestreken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgestreken zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgestreken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opstrijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opstrijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opstrijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opstrijken bijzin, toekomende tijd
zijn opgestreken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgestreken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgestreken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgestreken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgestreken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgestreken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgestreken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgestreken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgestreken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgestreken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgestreken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgestreken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgestreken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opstrijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opstrijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opstrijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opstrijken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) opstrijken op zou(dt) strijken bijzin, voorwaardelijk
zouden opgestreken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgestreken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgestreken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgestreken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgestreken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgestreken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgestreken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgestreken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgestreken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opstrijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opstrijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opstrijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opstrijken bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgestreken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgestreken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgestreken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opstrijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opstrijken bijzin, voorwaardelijk
zullen opgestreken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgestreken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgestreken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgestreken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgestreken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgestreken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgestreken zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgestreken zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgestreken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opstrijken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opstrijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opstrijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opstrijken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opstrijken bijzin, toekomende tijd
zult opgestreken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van op en strijken

Woordfamilie van opstrijken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
opgestreken voltooid deelwoord opstrijken
opstreek subordinate-clause, verleden tijd opstrijken
opstreken subordinate-clause, verleden tijd opstrijken
opstrijk subordinate-clause, tegenwoordige tijd opstrijken
opstrijke with-subordinate-clause opstrijken
opstrijkend onvoltooid deelwoord opstrijken
opstrijkende woordvorm opstrijken
opstrijkt subordinate-clause, tegenwoordige tijd opstrijken
streek op verleden tijd opstrijken
streken op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opstrijken
strijk op gebiedende wijs opstrijken
strijke op woordvorm opstrijken
strijken op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opstrijken
strijkt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opstrijken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opstrijken zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over opstrijken

Wat is de betekenis van opstrijken?
Opstrijken is een werkwoord. De betekenis is: met een strijkijzer in de vereiste toestand brengen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik opstrijken?
Zo vervoeg je opstrijken zo: het voltooid deelwoord is opgestreken. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opstrijken is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. S 2
  4. T 2
  5. R 2
  6. I 1
  7. J 4
  8. K 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opstrijken levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. S 2
  4. T 2
  5. R 2
  6. I 2
  7. J 4
  8. K 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 22 zonder bonus
  12. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opstrijken in het kort

opstrijken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van opstrijken staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort opstrijken bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

opstrijken: met een strijkijzer in de vereiste toestand brengen
Deel opstrijken — standaardnederlands.nl