Naar de inhoud

opsteken

iets leren

opsteken

werkwoord

Betekenis

  1. iets leren
  2. iets in de brand steken (bijvoorbeeld van een sigaar of sigaret)
  3. omhoog brengen (bijvoorbeeld van haar)
  4. beginnen te waaien
  5. ontstaan van iets

Vervoeging van opsteken

opstekenhele werkwoord — stak opverleden tijd enkelvoud — staken opverleden tijd meervoud — opgestokenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik steek op stak op
jij steekt op staakt op
hij, zij, het steekt op stak op
wij steken op staken op
jullie steken op staken op
zij steken op staken op
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgestoken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgestoken impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgestoken impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgestoken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgestoken worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgestoken zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgestoken worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgestoken zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgestoken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgestoken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgestoken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgestoken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgestoken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgestoken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgestoken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgestoken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te steken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen steken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal steken bijzin, toekomende tijd
op zou steken bijzin, voorwaardelijk
op zouden steken bijzin, voorwaardelijk
op zoudt steken bijzin, voorwaardelijk
op zullen steken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen steken bijzin, toekomende tijd
op zult steken bijzin, toekomende tijd
opgestoken verleden tijd, deelwoord
opgestoken te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgestoken te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgestoken te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgestoken te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgestoken te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgestoken worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgestoken zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgestoken zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgestoken zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgestoken zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opstaakt bijzin, verleden tijd
opstak bijzin, verleden tijd
opstaken bijzin, verleden tijd
opsteek bijzin, tegenwoordige tijd
opsteekt bijzin, tegenwoordige tijd
opstekend onvoltooid, deelwoord
stak op verleden tijd
steek op gebiedende wijs
te hebben opgestoken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opsteken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgestoken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgestoken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgestoken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgestoken voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgestoken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgestoken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgestoken voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgestoken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgestoken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgestoken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgestoken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgestoken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgestoken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgestoken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgestoken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgestoken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgestoken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgestoken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgestoken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgestoken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opgestoken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgestoken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgestoken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgestoken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgestoken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgestoken zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgestoken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opsteken bijzin, toekomende tijd
zijn opgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgestoken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgestoken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgestoken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgestoken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgestoken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgestoken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgestoken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgestoken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgestoken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgestoken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opsteken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) opsteken op zou(dt) steken bijzin, voorwaardelijk
zouden opgestoken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgestoken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgestoken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgestoken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgestoken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgestoken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgestoken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgestoken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgestoken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opsteken bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgestoken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgestoken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgestoken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opsteken bijzin, voorwaardelijk
zullen opgestoken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgestoken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgestoken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgestoken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgestoken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgestoken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgestoken zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgestoken zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgestoken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opsteken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opsteken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opsteken bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van op en steken

Woordfamilie van opsteken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
opgestoken voltooid deelwoord opsteken
opstak subordinate-clause, verleden tijd opsteken
opstaken subordinate-clause, verleden tijd opsteken
opsteek subordinate-clause, tegenwoordige tijd opsteken
opsteekt subordinate-clause, tegenwoordige tijd opsteken
opsteke with-subordinate-clause opsteken
stak op verleden tijd opsteken
staken op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opsteken
steek op gebiedende wijs opsteken
steekt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opsteken
steke op woordvorm opsteken
steken op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opsteken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opsteken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opsteken

Wat is de betekenis van opsteken?
Opsteken is een werkwoord. De betekenis is: iets leren. In totaal staan er 5 betekenissen.
Hoe vervoeg ik opsteken?
Zo vervoeg je opsteken zo: het voltooid deelwoord is opgestoken. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opsteken is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. S 2
  4. T 2
  5. E 1
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opsteken levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. S 2
  4. T 2
  5. E 1
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 zonder bonus
  10. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opsteken in het kort

opsteken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 5 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van opsteken staan er 90 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort opsteken bij een woordfamilie van 12 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

opsteken: iets leren
Deel opsteken — standaardnederlands.nl