opsteken
werkwoordBetekenis
- iets leren
- iets in de brand steken (bijvoorbeeld van een sigaar of sigaret)
- omhoog brengen (bijvoorbeeld van haar)
- beginnen te waaien
- ontstaan van iets
Vervoeging van opsteken
opstekenhele werkwoord — stak opverleden tijd enkelvoud — staken opverleden tijd meervoud — opgestokenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | steek op | stak op |
| jij | steekt op | staakt op |
| hij, zij, het | steekt op | stak op |
| wij | steken op | staken op |
| jullie | steken op | staken op |
| zij | steken op | staken op |
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is opgestoken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgestoken | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgestoken | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgestoken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgestoken worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgestoken zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgestoken worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgestoken zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgestoken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgestoken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgestoken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgestoken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgestoken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is opgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te steken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen steken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal steken | bijzin, toekomende tijd |
| op zou steken | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden steken | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt steken | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen steken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen steken | bijzin, toekomende tijd |
| op zult steken | bijzin, toekomende tijd |
| opgestoken | verleden tijd, deelwoord |
| opgestoken te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgestoken te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgestoken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgestoken te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgestoken te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgestoken worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgestoken zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgestoken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgestoken zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgestoken zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opstaakt | bijzin, verleden tijd |
| opstak | bijzin, verleden tijd |
| opstaken | bijzin, verleden tijd |
| opsteek | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opsteekt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opstekend | onvoltooid, deelwoord |
| stak op | verleden tijd |
| steek op | gebiedende wijs |
| te hebben opgestoken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opsteken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgestoken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgestoken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgestoken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgestoken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgestoken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgestoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgestoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgestoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgestoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgestoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgestoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgestoken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgestoken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgestoken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgestoken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgestoken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgestoken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgestoken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opgestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgestoken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgestoken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opsteken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn opgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgestoken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opgestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opsteken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) opsteken op zou(dt) steken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opsteken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgestoken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgestoken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opsteken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgestoken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgestoken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgestoken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgestoken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgestoken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opsteken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opsteken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opsteken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van op en steken
Woordfamilie van opsteken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| opgestoken | voltooid deelwoord | opsteken |
| opstak | subordinate-clause, verleden tijd | opsteken |
| opstaken | subordinate-clause, verleden tijd | opsteken |
| opsteek | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opsteken |
| opsteekt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opsteken |
| opsteke | with-subordinate-clause | opsteken |
| stak op | verleden tijd | opsteken |
| staken op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opsteken |
| steek op | gebiedende wijs | opsteken |
| steekt op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opsteken |
| steke op | woordvorm | opsteken |
| steken op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opsteken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opsteken zijn vastgelegd.