opstappen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈɔpstɑpə(n)Betekenis
- aftreden, weggaan
- op het zadel van een fiets gaan zitten om te gaan fietsen
Hoe spreek je opstappen uit?
/ˈɔpstɑpən/
Opstappen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| p | pak |
| s | sok |
| t | tak |
| ɑ | bad |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van opstappen
opstappenhele werkwoord — stapte opverleden tijd enkelvoud — stapten opverleden tijd meervoud — opgestaptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | stap op | stapte op |
| jij | stapt op | stapte op |
| hij, zij, het | stapt op | stapte op |
| wij | stappen op | stapten op |
| jullie | stappen op | stapten op |
| zij | stappen op | stapten op |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben opgestapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgestapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is opgestapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgestapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te stappen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen stappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal stappen | bijzin, toekomende tijd |
| op zou stappen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden stappen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt stappen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen stappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen stappen | bijzin, toekomende tijd |
| op zult stappen | bijzin, toekomende tijd |
| opgestapt | verleden tijd, deelwoord |
| opgestapt te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgestapt zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opstap | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opstappend | onvoltooid, deelwoord |
| opstapt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opstapte | bijzin, verleden tijd |
| opstapten | bijzin, verleden tijd |
| stap op | gebiedende wijs |
| stapte op | verleden tijd |
| te zijn opgestapt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opstappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgestapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgestapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgestapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgestapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgestapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgestapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgestapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal opgestapt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgestapt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgestapt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opstappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opstappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opstappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opstappen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn opgestapt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn opgestapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgestapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgestapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgestapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opgestapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgestapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgestapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opstappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opstappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opstappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opstappen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) opstappen op zou(dt) stappen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgestapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgestapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgestapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opstappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opstappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opstappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opstappen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgestapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opstappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opstappen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgestapt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgestapt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgestapt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opstappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opstappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opstappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opstappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opstappen | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgestapt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult opstappen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult opstappen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal opstappen op zult/zal stappen | bijzin, toekomende tijd |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord opstap
Herkomst
samenstelling van op bw en stappen ww
Woordfamilie van opstappen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| opstappe | with-subordinate-clause | opstappen |
| opstappend | onvoltooid deelwoord | opstappen |
| opstappende | woordvorm | opstappen |
| opstapt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opstappen |
| opstapte | subordinate-clause, verleden tijd | opstappen |
| opstapten | subordinate-clause, verleden tijd | opstappen |
| stap op | gebiedende wijs | opstappen |
| stappe op | woordvorm | opstappen |
| stappen op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opstappen |
| stapt op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opstappen |
| stapte op | verleden tijd | opstappen |
| stapten op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opstappen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opstappen zijn vastgelegd.