opschuiven
werkwoordBetekenis
- van plaats veranderen zonder los te raken van de ondergrond
- uitstellen
Vervoeging van opschuiven
opschuivenhele werkwoord — schoof opverleden tijd enkelvoud — schoven opverleden tijd meervoud — opgeschovenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schuif op | schoof op |
| jij | schuift op | schoof op |
| hij, zij, het | schuift op | schoof op |
| wij | schuiven op | schoven op |
| jullie | schuiven op | schoven op |
| zij | schuiven op | schoven op |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opgeschoven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgeschoven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is opgeschoven | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgeschoven | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgeschoven | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgeschoven | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgeschoven worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgeschoven zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgeschoven worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgeschoven zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgeschoven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgeschoven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgeschoven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgeschoven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgeschoven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgeschoven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgeschoven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgeschoven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgeschoven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgeschoven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgeschoven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgeschoven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgeschoven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgeschoven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgeschoven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is opgeschoven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgeschoven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te schuiven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen schuiven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal schuiven | bijzin, toekomende tijd |
| op zou schuiven | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden schuiven | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt schuiven | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen schuiven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen schuiven | bijzin, toekomende tijd |
| op zult schuiven | bijzin, toekomende tijd |
| opgeschoven | verleden tijd, deelwoord |
| opgeschoven te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgeschoven te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgeschoven te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeschoven te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeschoven te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeschoven worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgeschoven zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgeschoven zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgeschoven zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgeschoven zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opschoof | bijzin, verleden tijd |
| opschoven | bijzin, verleden tijd |
| opschuif | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opschuift | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opschuivend | onvoltooid, deelwoord |
| schoof op | verleden tijd |
| schuif op | gebiedende wijs |
| te hebben opgeschoven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opschuiven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgeschoven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgeschoven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgeschoven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgeschoven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgeschoven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgeschoven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgeschoven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgeschoven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgeschoven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgeschoven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgeschoven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgeschoven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgeschoven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgeschoven | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgeschoven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgeschoven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgeschoven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgeschoven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgeschoven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgeschoven | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opgeschoven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeschoven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgeschoven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgeschoven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeschoven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgeschoven zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeschoven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opschuiven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opschuiven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opschuiven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opschuiven | bijzin, toekomende tijd |
| zijn opgeschoven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgeschoven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgeschoven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgeschoven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opgeschoven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeschoven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeschoven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgeschoven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeschoven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgeschoven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeschoven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeschoven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeschoven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opschuiven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opschuiven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opschuiven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opschuiven | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) opschuiven op zou(dt) schuiven | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgeschoven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgeschoven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgeschoven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgeschoven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgeschoven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgeschoven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgeschoven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgeschoven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgeschoven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opschuiven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opschuiven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opschuiven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opschuiven | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgeschoven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgeschoven worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgeschoven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opschuiven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opschuiven | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgeschoven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgeschoven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgeschoven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgeschoven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgeschoven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgeschoven worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgeschoven zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgeschoven zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgeschoven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opschuiven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opschuiven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opschuiven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opschuiven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opschuiven | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgeschoven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van op en schuiven
Woordfamilie van opschuiven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| opgeschoven | voltooid deelwoord | opschuiven |
| opschoof | subordinate-clause, verleden tijd | opschuiven |
| opschoven | subordinate-clause, verleden tijd | opschuiven |
| opschuif | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opschuiven |
| opschuift | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opschuiven |
| opschuive | with-subordinate-clause | opschuiven |
| opschuivend | onvoltooid deelwoord | opschuiven |
| opschuivende | woordvorm | opschuiven |
| schoof op | verleden tijd | opschuiven |
| schoven op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opschuiven |
| schuif op | gebiedende wijs | opschuiven |
| schuift op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opschuiven |
| schuive op | woordvorm | opschuiven |
| schuiven op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opschuiven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opschuiven zijn vastgelegd.