Naar de inhoud

opruimen

iets uit de weg ruimen

opruimen

werkwoord

Betekenis

  1. iets uit de weg ruimen
  2. iets uitverkopen
  3. iets in orde brengen, netjes maken
  4. (een gat) ruimer (dus groter) maken

werkwoord

  1. ruimer (dus groter) maken
  2. iemand uit het publieke zicht laten verdwijnen, al dan niet door diegene van het leven te beroven euphemistic

Vervoeging van opruimen

opruimenhele werkwoord — ruimde opverleden tijd enkelvoud — ruimden opverleden tijd meervoud — opgeruimdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik ruim op ruimde op
jij ruimt op ruimde op
hij, zij, het ruimt op ruimde op
wij ruimen op ruimden op
jullie ruimen op ruimden op
zij ruimen op ruimden op
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is opgeruimd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgeruimd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgeruimd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgeruimd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgeruimd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgeruimd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgeruimd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgeruimd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgeruimd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgeruimd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgeruimd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgeruimd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgeruimd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgeruimd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgeruimd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgeruimd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgeruimd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgeruimd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgeruimd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgeruimd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgeruimd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgeruimd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgeruimd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te ruimen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen ruimen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal ruimen bijzin, toekomende tijd
op zou ruimen bijzin, voorwaardelijk
op zouden ruimen bijzin, voorwaardelijk
op zoudt ruimen bijzin, voorwaardelijk
op zullen ruimen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen ruimen bijzin, toekomende tijd
op zult ruimen bijzin, toekomende tijd
opgeruimd verleden tijd, deelwoord
opgeruimd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeruimd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opruim bijzin, tegenwoordige tijd
opruimde bijzin, verleden tijd
opruimden bijzin, verleden tijd
opruimend onvoltooid, deelwoord
opruimt bijzin, tegenwoordige tijd
ruim op gebiedende wijs
ruimde op verleden tijd
te hebben opgeruimd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opruimen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal opgeruimd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgeruimd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgeruimd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opruimen bijzin, toekomende tijd
zou opgeruimd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgeruimd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgeruimd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opruimen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) opruimen op zou(dt) ruimen bijzin, voorwaardelijk
zouden opgeruimd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgeruimd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgeruimd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opruimen bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgeruimd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opruimen bijzin, voorwaardelijk
zullen opgeruimd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgeruimd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgeruimd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opruimen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opruimen bijzin, toekomende tijd
zult opgeruimd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult opruimen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult opruimen bijzin, toekomende tijd
zult/zal opruimen op zult/zal ruimen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van op bw en ruimen ww

Woordfamilie van opruimen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
opruim subordinate-clause, tegenwoordige tijd opruimen
opruimde subordinate-clause, verleden tijd opruimen
opruimden subordinate-clause, verleden tijd opruimen
opruime with-subordinate-clause opruimen
opruimend onvoltooid deelwoord opruimen
opruimende woordvorm opruimen
opruimt subordinate-clause, tegenwoordige tijd opruimen
ruim op gebiedende wijs opruimen
ruimde op verleden tijd opruimen
ruimden op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opruimen
ruime op woordvorm opruimen
ruimen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opruimen
ruimt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opruimen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opruimen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opruimen

Wat is de betekenis van opruimen?
Opruimen is een werkwoord. De betekenis is: iets uit de weg ruimen. In totaal staan er 6 betekenissen.
Hoe vervoeg ik opruimen?
Zo vervoeg je opruimen zo: het voltooid deelwoord is opgeruimd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opruimen is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. R 2
  4. U 4
  5. I 1
  6. M 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opruimen levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. R 2
  4. U 2
  5. I 2
  6. M 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 zonder bonus
  10. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opruimen in het kort

opruimen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 6 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van opruimen staan er 53 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort opruimen bij een woordfamilie van 13 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

opruimen: iets uit de weg ruimen
Deel opruimen — standaardnederlands.nl