opruimen
werkwoordBetekenis
- iets uit de weg ruimen
- iets uitverkopen
- iets in orde brengen, netjes maken
- (een gat) ruimer (dus groter) maken
werkwoord
- ruimer (dus groter) maken
- iemand uit het publieke zicht laten verdwijnen, al dan niet door diegene van het leven te beroven euphemistic
Vervoeging van opruimen
opruimenhele werkwoord — ruimde opverleden tijd enkelvoud — ruimden opverleden tijd meervoud — opgeruimdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ruim op | ruimde op |
| jij | ruimt op | ruimde op |
| hij, zij, het | ruimt op | ruimde op |
| wij | ruimen op | ruimden op |
| jullie | ruimen op | ruimden op |
| zij | ruimen op | ruimden op |
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is opgeruimd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgeruimd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgeruimd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgeruimd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgeruimd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgeruimd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgeruimd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgeruimd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgeruimd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgeruimd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgeruimd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgeruimd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgeruimd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgeruimd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgeruimd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgeruimd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgeruimd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgeruimd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgeruimd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgeruimd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgeruimd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgeruimd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgeruimd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te ruimen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen ruimen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal ruimen | bijzin, toekomende tijd |
| op zou ruimen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden ruimen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt ruimen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen ruimen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen ruimen | bijzin, toekomende tijd |
| op zult ruimen | bijzin, toekomende tijd |
| opgeruimd | verleden tijd, deelwoord |
| opgeruimd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeruimd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opruim | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opruimde | bijzin, verleden tijd |
| opruimden | bijzin, verleden tijd |
| opruimend | onvoltooid, deelwoord |
| opruimt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ruim op | gebiedende wijs |
| ruimde op | verleden tijd |
| te hebben opgeruimd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opruimen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal opgeruimd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeruimd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgeruimd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opruimen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opruimen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opruimen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opruimen | bijzin, toekomende tijd |
| zou opgeruimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeruimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeruimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opruimen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opruimen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opruimen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opruimen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) opruimen op zou(dt) ruimen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgeruimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgeruimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgeruimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opruimen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opruimen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opruimen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opruimen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgeruimd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opruimen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opruimen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgeruimd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgeruimd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgeruimd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opruimen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opruimen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opruimen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opruimen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opruimen | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgeruimd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult opruimen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult opruimen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal opruimen op zult/zal ruimen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van op bw en ruimen ww
Woordfamilie van opruimen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| opruim | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opruimen |
| opruimde | subordinate-clause, verleden tijd | opruimen |
| opruimden | subordinate-clause, verleden tijd | opruimen |
| opruime | with-subordinate-clause | opruimen |
| opruimend | onvoltooid deelwoord | opruimen |
| opruimende | woordvorm | opruimen |
| opruimt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opruimen |
| ruim op | gebiedende wijs | opruimen |
| ruimde op | verleden tijd | opruimen |
| ruimden op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opruimen |
| ruime op | woordvorm | opruimen |
| ruimen op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opruimen |
| ruimt op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opruimen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opruimen zijn vastgelegd.