Naar de inhoud

oprijzen

in de hoogte stijgen, stijgend verschijnen

oprijzen

werkwoord

Betekenis

  1. in de hoogte stijgen, stijgend verschijnen

Vervoeging van oprijzen

oprijzenhele werkwoord — rees opverleden tijd enkelvoud — rezen opverleden tijd meervoud — opgerezenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik rijs op rees op
jij rijst op rees op
hij, zij, het rijst op rees op
wij rijzen op rezen op
jullie rijzen op rezen op
zij rijzen op rezen op
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben opgerezen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgerezen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is opgerezen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgerezen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te rijzen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen rijzen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal rijzen bijzin, toekomende tijd
op zou rijzen bijzin, voorwaardelijk
op zouden rijzen bijzin, voorwaardelijk
op zoudt rijzen bijzin, voorwaardelijk
op zullen rijzen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen rijzen bijzin, toekomende tijd
op zult rijzen bijzin, toekomende tijd
opgerezen verleden tijd, deelwoord
opgerezen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgerezen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
oprees bijzin, verleden tijd
opreest bijzin, verleden tijd
oprezen bijzin, verleden tijd
oprijs bijzin, tegenwoordige tijd
oprijst bijzin, tegenwoordige tijd
oprijzend onvoltooid, deelwoord
rees op verleden tijd
rijs op gebiedende wijs
te zijn opgerezen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen oprijzen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgerezen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgerezen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgerezen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgerezen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgerezen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgerezen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgerezen voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal opgerezen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgerezen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgerezen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal oprijzen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal oprijzen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal oprijzen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal oprijzen bijzin, toekomende tijd
zijn opgerezen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn opgerezen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgerezen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgerezen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgerezen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgerezen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgerezen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgerezen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou oprijzen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou oprijzen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou oprijzen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou oprijzen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) oprijzen op zou(dt) rijzen bijzin, voorwaardelijk
zouden opgerezen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgerezen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgerezen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden oprijzen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden oprijzen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden oprijzen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden oprijzen bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgerezen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt oprijzen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt oprijzen bijzin, voorwaardelijk
zullen opgerezen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgerezen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgerezen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen oprijzen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen oprijzen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen oprijzen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen oprijzen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen oprijzen bijzin, toekomende tijd
zult opgerezen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult oprijzen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult oprijzen bijzin, toekomende tijd
zult/zal oprijzen op zult/zal rijzen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van op en rijzen

Woordfamilie van oprijzen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
opgerezen voltooid deelwoord oprijzen
oprees subordinate-clause, verleden tijd oprijzen
oprezen subordinate-clause, verleden tijd oprijzen
oprijs subordinate-clause, tegenwoordige tijd oprijzen
oprijst subordinate-clause, tegenwoordige tijd oprijzen
oprijze with-subordinate-clause oprijzen
oprijzend onvoltooid deelwoord oprijzen
oprijzende woordvorm oprijzen
rees op verleden tijd oprijzen
rezen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon oprijzen
rijs op gebiedende wijs oprijzen
rijst op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon oprijzen
rijze op woordvorm oprijzen
rijzen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon oprijzen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van oprijzen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over oprijzen

Wat is de betekenis van oprijzen?
Oprijzen is een werkwoord. De betekenis is: in de hoogte stijgen, stijgend verschijnen.
Hoe vervoeg ik oprijzen?
Zo vervoeg je oprijzen zo: het voltooid deelwoord is opgerezen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord oprijzen is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. R 2
  4. I 1
  5. J 4
  6. Z 4
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

oprijzen levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. R 2
  4. I 2
  5. J 4
  6. Z 5
  7. E 1
  8. N 1
  9. 20 zonder bonus
  10. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

oprijzen in het kort

oprijzen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van oprijzen staan er 48 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort oprijzen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

oprijzen: in de hoogte stijgen, stijgend verschijnen
Deel oprijzen — standaardnederlands.nl