Naar de inhoud

oprakelen

het vuur feller doen branden door erin te poken

oprakelen

werkwoord

Betekenis

  1. het vuur feller doen branden door erin te poken
  2. iets wat al bijna vergeten was weer in de herinnering oproepen

Vervoeging van oprakelen

oprakelenhele werkwoord — rakelde opverleden tijd enkelvoud — rakelden opverleden tijd meervoud — opgerakeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik rakel op rakelde op
jij rakelt op rakelde op
hij, zij, het rakelt op rakelde op
wij rakelen op rakelden op
jullie rakelen op rakelden op
zij rakelen op rakelden op
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgerakeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgerakeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgerakeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgerakeld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgerakeld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgerakeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgerakeld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgerakeld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgerakeld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgerakeld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgerakeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgerakeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgerakeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgerakeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgerakeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgerakeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgerakeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgerakeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgerakeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgerakeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgerakeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgerakeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgerakeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgerakeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgerakeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgerakeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgerakeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te rakelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen rakelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal rakelen bijzin, toekomende tijd
op zou rakelen bijzin, voorwaardelijk
op zouden rakelen bijzin, voorwaardelijk
op zoudt rakelen bijzin, voorwaardelijk
op zullen rakelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen rakelen bijzin, toekomende tijd
op zult rakelen bijzin, toekomende tijd
opgerakeld verleden tijd, deelwoord
opgerakeld te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgerakeld te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgerakeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgerakeld te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgerakeld te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgerakeld worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgerakeld zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgerakeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgerakeld zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgerakeld zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
oprakel bijzin, tegenwoordige tijd
oprakelde bijzin, verleden tijd
oprakelden bijzin, verleden tijd
oprakelend onvoltooid, deelwoord
oprakelt bijzin, tegenwoordige tijd
rakel op gebiedende wijs
rakelde op verleden tijd
te hebben opgerakeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen oprakelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgerakeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgerakeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgerakeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgerakeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgerakeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgerakeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgerakeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgerakeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgerakeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgerakeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgerakeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgerakeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgerakeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgerakeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgerakeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgerakeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgerakeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgerakeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgerakeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgerakeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opgerakeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgerakeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgerakeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgerakeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgerakeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgerakeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgerakeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal oprakelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal oprakelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal oprakelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal oprakelen bijzin, toekomende tijd
zijn opgerakeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgerakeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgerakeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgerakeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgerakeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgerakeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgerakeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgerakeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgerakeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgerakeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgerakeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgerakeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgerakeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou oprakelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou oprakelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou oprakelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou oprakelen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) oprakelen op zou(dt) rakelen bijzin, voorwaardelijk
zouden opgerakeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgerakeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgerakeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgerakeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgerakeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgerakeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgerakeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgerakeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgerakeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden oprakelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden oprakelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden oprakelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden oprakelen bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgerakeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgerakeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgerakeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt oprakelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt oprakelen bijzin, voorwaardelijk
zullen opgerakeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgerakeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgerakeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgerakeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgerakeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgerakeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgerakeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgerakeld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgerakeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen oprakelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen oprakelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen oprakelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen oprakelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen oprakelen bijzin, toekomende tijd
zult opgerakeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van op bw en rakelen ww

Woordfamilie van oprakelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
opgerakeld voltooid deelwoord oprakelen
opgerakelde woordvorm oprakelen
oprakel subordinate-clause, tegenwoordige tijd oprakelen
oprakelde subordinate-clause, verleden tijd oprakelen
oprakelden subordinate-clause, verleden tijd oprakelen
oprakele with-subordinate-clause oprakelen
oprakelend onvoltooid deelwoord oprakelen
oprakelende woordvorm oprakelen
oprakelt subordinate-clause, tegenwoordige tijd oprakelen
rakel op gebiedende wijs oprakelen
rakelde op verleden tijd oprakelen
rakelden op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon oprakelen
rakele op woordvorm oprakelen
rakelen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon oprakelen
rakelt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon oprakelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van oprakelen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over oprakelen

Wat betekent oprakelen?
Oprakelen is een werkwoord. Het woord betekent: het vuur feller doen branden door erin te poken. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je oprakelen?
Je vervoegt oprakelen als volgt: het voltooid deelwoord is opgerakeld. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord oprakelen is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. R 2
  4. A 1
  5. K 3
  6. E 1
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

oprakelen levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. R 2
  4. A 1
  5. K 3
  6. E 1
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 zonder bonus
  11. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

oprakelen in het kort

oprakelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van oprakelen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort oprakelen bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

oprakelen: het vuur feller doen branden door erin te poken
Deel oprakelen — standaardnederlands.nl