Naar de inhoud

oppotten

een plant in een pot plaatsen

oppotten

werkwoord

Betekenis

  1. een plant in een pot plaatsen
  2. verwoed geld sparen, gewoonlijk in een spaarpot

werkwoord

  1. verwoed geld sparen, bijvoorbeeld in een spaarpot transitive

Vervoeging van oppotten

oppottenhele werkwoord — potte opverleden tijd enkelvoud — potten opverleden tijd meervoud — opgepotvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik pot op potte op
jij pot op potte op
hij, zij, het pot op potte op
wij potten op potten op
jullie potten op potten op
zij potten op potten op
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgepot voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgepot voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgepot impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgepot impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgepot impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgepot impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgepot worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgepot zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgepot worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgepot zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgepot voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgepot voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgepot voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgepot voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgepot voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgepot voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgepot voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgepot voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgepot actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgepot voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgepot voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgepot voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgepot voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgepot voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgepot voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgepot voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgepot voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te potten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen potten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal potten bijzin, toekomende tijd
op zou potten bijzin, voorwaardelijk
op zouden potten bijzin, voorwaardelijk
op zoudt potten bijzin, voorwaardelijk
op zullen potten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen potten bijzin, toekomende tijd
op zult potten bijzin, toekomende tijd
opgepot verleden tijd, deelwoord
opgepot te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgepot te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgepot te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgepot te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgepot te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgepot worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgepot zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgepot zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgepot zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgepot zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
oppot bijzin, tegenwoordige tijd
oppotte bijzin, verleden tijd
oppottend onvoltooid, deelwoord
pot op gebiedende wijs
potte op verleden tijd
te hebben opgepot actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen oppotten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgepot voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgepot voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgepot voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgepot voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgepot voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgepot voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgepot voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgepot enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgepot enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgepot enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgepot enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgepot enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgepot enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgepot enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgepot enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgepot enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgepot enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgepot enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgepot enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgepot enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opgepot hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgepot hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgepot hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgepot worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgepot worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgepot zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgepot zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal oppotten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal oppotten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal oppotten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal oppotten bijzin, toekomende tijd
zijn opgepot voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgepot voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgepot voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgepot voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgepot hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgepot hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgepot hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgepot worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgepot worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgepot worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgepot zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgepot zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgepot zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou oppotten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou oppotten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou oppotten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou oppotten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) oppotten op zou(dt) potten bijzin, voorwaardelijk
zouden opgepot hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgepot hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgepot hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgepot worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgepot worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgepot worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgepot zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgepot zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgepot zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden oppotten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden oppotten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden oppotten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden oppotten bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgepot hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgepot worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgepot zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt oppotten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt oppotten bijzin, voorwaardelijk
zullen opgepot hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgepot hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgepot hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgepot worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgepot worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgepot worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgepot zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgepot zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgepot zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen oppotten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen oppotten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen oppotten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen oppotten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen oppotten bijzin, toekomende tijd
zult opgepot hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult opgepot worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult opgepot zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van oppotten

Vervoeging van oppotten

oppottenhele werkwoord — potte opverleden tijd enkelvoud — potten opverleden tijd meervoud — opgepotvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik pot op potte op
jij pot op potte op
hij, zij, het pot op potte op
wij potten op potten op
jullie potten op potten op
zij potten op potten op
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgepot voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgepot voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgepot impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgepot impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgepot impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgepot impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgepot worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgepot zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgepot worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgepot zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgepot voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgepot voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgepot voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgepot voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgepot voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgepot voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgepot voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgepot voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgepot actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgepot voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgepot voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgepot voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgepot voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgepot voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgepot voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgepot voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgepot voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te potten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen potten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal potten bijzin, toekomende tijd
op zou potten bijzin, voorwaardelijk
op zouden potten bijzin, voorwaardelijk
op zoudt potten bijzin, voorwaardelijk
op zullen potten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen potten bijzin, toekomende tijd
op zult potten bijzin, toekomende tijd
opgepot verleden tijd, deelwoord
opgepot te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgepot te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgepot te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgepot te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgepot te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgepot worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgepot zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgepot zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgepot zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgepot zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
oppot bijzin, tegenwoordige tijd
oppotte bijzin, verleden tijd
oppottend onvoltooid, deelwoord
pot op gebiedende wijs
potte op verleden tijd
te hebben opgepot actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen oppotten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgepot voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgepot voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgepot voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgepot voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgepot voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgepot voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgepot voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgepot enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgepot enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgepot enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgepot enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgepot enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgepot enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgepot enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgepot enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgepot enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgepot enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgepot enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgepot enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgepot enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opgepot hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgepot hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgepot hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgepot worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgepot worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgepot zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgepot zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal oppotten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal oppotten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal oppotten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal oppotten bijzin, toekomende tijd
zijn opgepot voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgepot voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgepot voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgepot voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgepot hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgepot hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgepot hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgepot worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgepot worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgepot worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgepot zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgepot zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgepot zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou oppotten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou oppotten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou oppotten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou oppotten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) oppotten op zou(dt) potten bijzin, voorwaardelijk
zouden opgepot hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgepot hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgepot hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgepot worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgepot worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgepot worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgepot zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgepot zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgepot zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden oppotten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden oppotten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden oppotten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden oppotten bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgepot hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgepot worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgepot zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt oppotten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt oppotten bijzin, voorwaardelijk
zullen opgepot hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgepot hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgepot hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgepot worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgepot worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgepot worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgepot zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgepot zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgepot zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen oppotten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen oppotten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen oppotten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen oppotten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen oppotten bijzin, toekomende tijd
zult opgepot hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult opgepot worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult opgepot zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van op en potten

Woordfamilie van oppotten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
opgepot voltooid deelwoord oppotten
opgepotte woordvorm oppotten
oppot subordinate-clause, tegenwoordige tijd oppotten
oppotte subordinate-clause, verleden tijd oppotten
oppottend onvoltooid deelwoord oppotten
oppottende woordvorm oppotten
pot op gebiedende wijs oppotten
potte op verleden tijd oppotten
potten op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon oppotten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van oppotten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over oppotten

Wat betekent oppotten?
Oppotten is een werkwoord. Het woord betekent: een plant in een pot plaatsen. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je oppotten?
Je vervoegt oppotten als volgt: het voltooid deelwoord is opgepot. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord oppotten is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. P 3
  4. O 1
  5. T 2
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

oppotten levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. P 4
  4. O 1
  5. T 2
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 zonder bonus
  10. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

oppotten in het kort

oppotten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van oppotten zijn 84 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort oppotten bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

oppotten: een plant in een pot plaatsen
Deel oppotten — standaardnederlands.nl