oppotten
werkwoordBetekenis
- een plant in een pot plaatsen
- verwoed geld sparen, gewoonlijk in een spaarpot
werkwoord
- verwoed geld sparen, bijvoorbeeld in een spaarpot transitive
Vervoeging van oppotten
oppottenhele werkwoord — potte opverleden tijd enkelvoud — potten opverleden tijd meervoud — opgepotvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | pot op | potte op |
| jij | pot op | potte op |
| hij, zij, het | pot op | potte op |
| wij | potten op | potten op |
| jullie | potten op | potten op |
| zij | potten op | potten op |
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opgepot | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgepot | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is opgepot | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgepot | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgepot | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgepot | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgepot worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgepot zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgepot worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgepot zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgepot | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgepot | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgepot | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgepot | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgepot | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgepot | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgepot | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgepot | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgepot | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgepot | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgepot | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgepot | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgepot | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgepot | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgepot | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is opgepot | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgepot | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te potten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen potten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal potten | bijzin, toekomende tijd |
| op zou potten | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden potten | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt potten | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen potten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen potten | bijzin, toekomende tijd |
| op zult potten | bijzin, toekomende tijd |
| opgepot | verleden tijd, deelwoord |
| opgepot te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgepot te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgepot te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgepot te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgepot te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgepot worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgepot zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgepot zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgepot zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgepot zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| oppot | bijzin, tegenwoordige tijd |
| oppotte | bijzin, verleden tijd |
| oppottend | onvoltooid, deelwoord |
| pot op | gebiedende wijs |
| potte op | verleden tijd |
| te hebben opgepot | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen oppotten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgepot | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgepot | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgepot | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgepot | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgepot | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgepot | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgepot | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgepot | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgepot | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgepot | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgepot | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgepot | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgepot | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgepot | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgepot | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgepot | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgepot | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgepot | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgepot | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgepot | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opgepot hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgepot hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgepot hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgepot worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgepot worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgepot zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgepot zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal oppotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal oppotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal oppotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal oppotten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn opgepot | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgepot | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgepot | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgepot | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opgepot hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgepot hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgepot hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgepot worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgepot worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgepot worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgepot zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgepot zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgepot zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou oppotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou oppotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou oppotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou oppotten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) oppotten op zou(dt) potten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgepot hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgepot hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgepot hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgepot worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgepot worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgepot worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgepot zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgepot zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgepot zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden oppotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden oppotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden oppotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden oppotten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgepot hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgepot worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgepot zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt oppotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt oppotten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgepot hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgepot hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgepot hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgepot worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgepot worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgepot worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgepot zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgepot zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgepot zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen oppotten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen oppotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen oppotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen oppotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen oppotten | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgepot hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult opgepot worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult opgepot zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van oppotten
Vervoeging van oppotten
oppottenhele werkwoord — potte opverleden tijd enkelvoud — potten opverleden tijd meervoud — opgepotvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | pot op | potte op |
| jij | pot op | potte op |
| hij, zij, het | pot op | potte op |
| wij | potten op | potten op |
| jullie | potten op | potten op |
| zij | potten op | potten op |
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opgepot | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgepot | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is opgepot | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgepot | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgepot | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgepot | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgepot worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgepot zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgepot worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgepot zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgepot | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgepot | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgepot | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgepot | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgepot | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgepot | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgepot | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgepot | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgepot | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgepot | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgepot | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgepot | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgepot | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgepot | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgepot | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is opgepot | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgepot | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te potten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen potten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal potten | bijzin, toekomende tijd |
| op zou potten | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden potten | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt potten | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen potten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen potten | bijzin, toekomende tijd |
| op zult potten | bijzin, toekomende tijd |
| opgepot | verleden tijd, deelwoord |
| opgepot te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgepot te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgepot te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgepot te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgepot te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgepot worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgepot zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgepot zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgepot zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgepot zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| oppot | bijzin, tegenwoordige tijd |
| oppotte | bijzin, verleden tijd |
| oppottend | onvoltooid, deelwoord |
| pot op | gebiedende wijs |
| potte op | verleden tijd |
| te hebben opgepot | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen oppotten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgepot | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgepot | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgepot | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgepot | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgepot | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgepot | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgepot | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgepot | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgepot | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgepot | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgepot | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgepot | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgepot | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgepot | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgepot | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgepot | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgepot | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgepot | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgepot | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgepot | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opgepot hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgepot hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgepot hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgepot worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgepot worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgepot zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgepot zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal oppotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal oppotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal oppotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal oppotten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn opgepot | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgepot | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgepot | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgepot | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opgepot hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgepot hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgepot hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgepot worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgepot worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgepot worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgepot zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgepot zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgepot zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou oppotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou oppotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou oppotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou oppotten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) oppotten op zou(dt) potten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgepot hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgepot hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgepot hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgepot worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgepot worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgepot worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgepot zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgepot zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgepot zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden oppotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden oppotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden oppotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden oppotten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgepot hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgepot worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgepot zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt oppotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt oppotten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgepot hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgepot hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgepot hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgepot worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgepot worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgepot worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgepot zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgepot zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgepot zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen oppotten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen oppotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen oppotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen oppotten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen oppotten | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgepot hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult opgepot worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult opgepot zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van op en potten
Woordfamilie van oppotten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| opgepot | voltooid deelwoord | oppotten |
| opgepotte | woordvorm | oppotten |
| oppot | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | oppotten |
| oppotte | subordinate-clause, verleden tijd | oppotten |
| oppottend | onvoltooid deelwoord | oppotten |
| oppottende | woordvorm | oppotten |
| pot op | gebiedende wijs | oppotten |
| potte op | verleden tijd | oppotten |
| potten op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | oppotten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van oppotten zijn vastgelegd.