Naar de inhoud

oppikken

iemand op een bepaalde plek meenemen

oppikken

werkwoord

Betekenis

  1. iemand op een bepaalde plek meenemen
  2. dingen doen opvallen, van leren
  3. met een haak uit het water halen
  4. met de snavel opnemen en eten
  5. tweede betekenisomschrijving
  6. enz.

Vervoeging van oppikken

oppikkenhele werkwoord — pikte opverleden tijd enkelvoud — pikten opverleden tijd meervoud — opgepiktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik pik op pikte op
jij pikt op pikte op
hij, zij, het pikt op pikte op
wij pikken op pikten op
jullie pikken op pikten op
zij pikken op pikten op
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgepikt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgepikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgepikt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgepikt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgepikt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgepikt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgepikt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgepikt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgepikt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgepikt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgepikt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgepikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgepikt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgepikt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgepikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgepikt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgepikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgepikt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgepikt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgepikt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgepikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgepikt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgepikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgepikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgepikt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgepikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgepikt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te pikken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen pikken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal pikken bijzin, toekomende tijd
op zou pikken bijzin, voorwaardelijk
op zouden pikken bijzin, voorwaardelijk
op zoudt pikken bijzin, voorwaardelijk
op zullen pikken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen pikken bijzin, toekomende tijd
op zult pikken bijzin, toekomende tijd
opgepikt verleden tijd, deelwoord
opgepikt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgepikt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgepikt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgepikt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgepikt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgepikt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgepikt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgepikt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgepikt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgepikt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
oppik bijzin, tegenwoordige tijd
oppikkend onvoltooid, deelwoord
oppikt bijzin, tegenwoordige tijd
oppikte bijzin, verleden tijd
oppikten bijzin, verleden tijd
pik op gebiedende wijs
pikte op verleden tijd
te hebben opgepikt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen oppikken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgepikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgepikt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgepikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgepikt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgepikt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgepikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgepikt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgepikt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgepikt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgepikt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgepikt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgepikt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgepikt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgepikt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgepikt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgepikt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgepikt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgepikt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgepikt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgepikt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opgepikt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgepikt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgepikt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgepikt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgepikt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgepikt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgepikt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal oppikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal oppikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal oppikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal oppikken bijzin, toekomende tijd
zijn opgepikt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgepikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgepikt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgepikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgepikt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgepikt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgepikt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgepikt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgepikt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgepikt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgepikt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgepikt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgepikt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou oppikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou oppikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou oppikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou oppikken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) oppikken op zou(dt) pikken bijzin, voorwaardelijk
zouden opgepikt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgepikt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgepikt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgepikt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgepikt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgepikt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgepikt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgepikt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgepikt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden oppikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden oppikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden oppikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden oppikken bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgepikt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgepikt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgepikt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt oppikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt oppikken bijzin, voorwaardelijk
zullen opgepikt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgepikt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgepikt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgepikt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgepikt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgepikt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgepikt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgepikt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgepikt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen oppikken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen oppikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen oppikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen oppikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen oppikken bijzin, toekomende tijd
zult opgepikt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van op en pikken

Woordfamilie van oppikken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
opgepikt voltooid deelwoord oppikken
opgepikte woordvorm oppikken
oppik subordinate-clause, tegenwoordige tijd oppikken
oppikke with-subordinate-clause oppikken
oppikkend onvoltooid deelwoord oppikken
oppikkende woordvorm oppikken
oppikt subordinate-clause, tegenwoordige tijd oppikken
oppikte subordinate-clause, verleden tijd oppikken
oppikten subordinate-clause, verleden tijd oppikken
pik op gebiedende wijs oppikken
pikke op woordvorm oppikken
pikken op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon oppikken
pikt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon oppikken
pikte op verleden tijd oppikken
pikten op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon oppikken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van oppikken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over oppikken

Wat betekent oppikken?
Oppikken is een werkwoord. Het woord betekent: iemand op een bepaalde plek meenemen. Deze pagina beschrijft 6 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je oppikken?
Je vervoegt oppikken als volgt: het voltooid deelwoord is opgepikt. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord oppikken is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. P 3
  4. I 1
  5. K 3
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

oppikken levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. P 4
  4. I 2
  5. K 3
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 19 zonder bonus
  10. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

oppikken in het kort

oppikken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 6 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van oppikken zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort oppikken bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

oppikken: iemand op een bepaalde plek meenemen
Deel oppikken — standaardnederlands.nl