opofferen
werkwoord ˈɔpɔfərə(n)Betekenis
- iets bij noodzaak moeten gebruiken
- iemand laten doden in een gevecht
- iets wat je wilt opgeven
- heel veel moeite doen
- zich opofferen - zichzelf voorstellen om gedood of achtergelaten te worden uit noodzaak
- zich opofferen - zich wijden aan
Hoe spreek je opofferen uit?
/ˈɔpɔfərən/
Opofferen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| p | pak |
| f | fiets |
| ə | de |
| r | rood |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- bij noodzaak moeten gebruiken transitive
- laten doden in een gevecht transitive
- bewust prijsgeven transitive
- wederkerend je eigen ondergang aanvaarden voor iets wat je belangrijk vindt
- je volledig voor iets inspannen figuratively, reflexive
Vervoeging van opofferen
opofferenhele werkwoord — offerde opverleden tijd enkelvoud — offerden opverleden tijd meervoud — opgeofferdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | offer op | offerde op |
| jij | offert op | offerde op |
| hij, zij, het | offert op | offerde op |
| wij | offeren op | offerden op |
| jullie | offeren op | offerden op |
| zij | offeren op | offerden op |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opgeofferd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgeofferd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is opgeofferd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgeofferd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgeofferd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgeofferd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgeofferd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgeofferd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgeofferd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgeofferd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgeofferd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgeofferd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgeofferd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgeofferd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgeofferd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgeofferd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgeofferd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgeofferd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgeofferd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgeofferd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgeofferd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgeofferd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgeofferd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgeofferd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgeofferd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is opgeofferd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgeofferd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| offer op | gebiedende wijs |
| offerde op | verleden tijd |
| op te offeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen offeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal offeren | bijzin, toekomende tijd |
| op zou offeren | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden offeren | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt offeren | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen offeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen offeren | bijzin, toekomende tijd |
| op zult offeren | bijzin, toekomende tijd |
| opgeofferd | verleden tijd, deelwoord |
| opgeofferd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgeofferd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgeofferd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeofferd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeofferd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeofferd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgeofferd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgeofferd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgeofferd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgeofferd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opoffer | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opofferde | bijzin, verleden tijd |
| opofferden | bijzin, verleden tijd |
| opofferend | onvoltooid, deelwoord |
| opoffert | bijzin, tegenwoordige tijd |
| te hebben opgeofferd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opofferen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgeofferd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgeofferd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgeofferd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgeofferd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgeofferd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgeofferd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgeofferd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgeofferd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgeofferd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgeofferd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgeofferd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgeofferd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgeofferd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgeofferd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgeofferd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgeofferd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgeofferd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgeofferd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgeofferd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgeofferd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opgeofferd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeofferd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgeofferd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgeofferd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeofferd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgeofferd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeofferd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opofferen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opofferen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opofferen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opofferen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn opgeofferd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgeofferd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgeofferd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgeofferd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opgeofferd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeofferd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeofferd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgeofferd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeofferd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgeofferd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeofferd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeofferd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeofferd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opofferen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opofferen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opofferen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opofferen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) opofferen op zou(dt) offeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgeofferd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgeofferd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgeofferd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgeofferd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgeofferd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgeofferd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgeofferd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgeofferd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgeofferd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opofferen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opofferen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opofferen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opofferen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgeofferd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgeofferd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgeofferd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opofferen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opofferen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgeofferd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgeofferd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgeofferd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgeofferd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgeofferd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgeofferd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgeofferd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgeofferd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgeofferd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opofferen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opofferen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opofferen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opofferen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opofferen | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgeofferd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van op bw en offeren ww
Woordfamilie van opofferen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| offer op | gebiedende wijs | opofferen |
| offerde op | verleden tijd | opofferen |
| offerden op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opofferen |
| offere op | woordvorm | opofferen |
| offeren op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opofferen |
| offert op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opofferen |
| opgeofferd | voltooid deelwoord | opofferen |
| opgeofferde | woordvorm | opofferen |
| opoffer | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opofferen |
| opofferde | subordinate-clause, verleden tijd | opofferen |
| opofferden | subordinate-clause, verleden tijd | opofferen |
| opoffere | with-subordinate-clause | opofferen |
| opofferend | onvoltooid deelwoord | opofferen |
| opofferende | woordvorm | opofferen |
| opoffert | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opofferen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opofferen zijn vastgelegd.