Naar de inhoud

opmonteren

opvrolijken, animeren

opmonteren

werkwoord

Betekenis

  1. opvrolijken, animeren
  2. vrolijker worden, in een betere stemming komen

Vervoeging van opmonteren

opmonterenhele werkwoord — monterde opverleden tijd enkelvoud — monterden opverleden tijd meervoud — opgemonterdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik monter op monterde op
jij montert op monterde op
hij, zij, het montert op monterde op
wij monteren op monterden op
jullie monteren op monterden op
zij monteren op monterden op
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgemonterd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgemonterd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgemonterd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgemonterd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgemonterd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgemonterd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgemonterd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgemonterd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgemonterd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgemonterd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgemonterd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgemonterd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgemonterd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgemonterd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgemonterd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgemonterd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgemonterd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgemonterd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgemonterd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgemonterd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgemonterd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgemonterd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgemonterd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgemonterd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgemonterd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgemonterd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgemonterd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
monter op gebiedende wijs
monterde op verleden tijd
op te monteren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen monteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal monteren bijzin, toekomende tijd
op zou monteren bijzin, voorwaardelijk
op zouden monteren bijzin, voorwaardelijk
op zoudt monteren bijzin, voorwaardelijk
op zullen monteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen monteren bijzin, toekomende tijd
op zult monteren bijzin, toekomende tijd
opgemonterd verleden tijd, deelwoord
opgemonterd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgemonterd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgemonterd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgemonterd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgemonterd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgemonterd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgemonterd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgemonterd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgemonterd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgemonterd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opmonter bijzin, tegenwoordige tijd
opmonterde bijzin, verleden tijd
opmonterden bijzin, verleden tijd
opmonterend onvoltooid, deelwoord
opmontert bijzin, tegenwoordige tijd
te hebben opgemonterd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opmonteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgemonterd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgemonterd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgemonterd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgemonterd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgemonterd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgemonterd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgemonterd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgemonterd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgemonterd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgemonterd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgemonterd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgemonterd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgemonterd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgemonterd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgemonterd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgemonterd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgemonterd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgemonterd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgemonterd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgemonterd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opgemonterd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgemonterd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgemonterd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgemonterd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgemonterd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgemonterd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgemonterd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opmonteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opmonteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opmonteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opmonteren bijzin, toekomende tijd
zijn opgemonterd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgemonterd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgemonterd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgemonterd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgemonterd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgemonterd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgemonterd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgemonterd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgemonterd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgemonterd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgemonterd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgemonterd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgemonterd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opmonteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opmonteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opmonteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opmonteren bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) opmonteren op zou(dt) monteren bijzin, voorwaardelijk
zouden opgemonterd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgemonterd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgemonterd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgemonterd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgemonterd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgemonterd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgemonterd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgemonterd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgemonterd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opmonteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opmonteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opmonteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opmonteren bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgemonterd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgemonterd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgemonterd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opmonteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opmonteren bijzin, voorwaardelijk
zullen opgemonterd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgemonterd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgemonterd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgemonterd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgemonterd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgemonterd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgemonterd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgemonterd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgemonterd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opmonteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opmonteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opmonteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opmonteren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opmonteren bijzin, toekomende tijd
zult opgemonterd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstellende afleiding van op (bijwoord), monter (bijvoeglijk naamwoord) en de uitgang -en van een werkwoord

Woordfamilie van opmonteren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
monter op gebiedende wijs opmonteren
monterde op verleden tijd opmonteren
monterden op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opmonteren
montere op woordvorm opmonteren
monteren op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opmonteren
montert op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opmonteren
opgemonterd voltooid deelwoord opmonteren
opgemonterde woordvorm opmonteren
opmonter subordinate-clause, tegenwoordige tijd opmonteren
opmonterde subordinate-clause, verleden tijd opmonteren
opmonterden subordinate-clause, verleden tijd opmonteren
opmontere with-subordinate-clause opmonteren
opmonterend onvoltooid deelwoord opmonteren
opmonterende woordvorm opmonteren
opmontert subordinate-clause, tegenwoordige tijd opmonteren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opmonteren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opmonteren

Wat is de betekenis van opmonteren?
Opmonteren is een werkwoord. De betekenis is: opvrolijken, animeren. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik opmonteren?
Zo vervoeg je opmonteren zo: het voltooid deelwoord is opgemonterd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opmonteren is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. M 3
  4. O 1
  5. N 1
  6. T 2
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opmonteren levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. M 3
  4. O 1
  5. N 1
  6. T 2
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 17 zonder bonus
  12. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opmonteren in het kort

opmonteren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van opmonteren staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort opmonteren bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

opmonteren: opvrolijken, animeren
Deel opmonteren — standaardnederlands.nl