opmonteren
werkwoordBetekenis
- opvrolijken, animeren
- vrolijker worden, in een betere stemming komen
Vervoeging van opmonteren
opmonterenhele werkwoord — monterde opverleden tijd enkelvoud — monterden opverleden tijd meervoud — opgemonterdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | monter op | monterde op |
| jij | montert op | monterde op |
| hij, zij, het | montert op | monterde op |
| wij | monteren op | monterden op |
| jullie | monteren op | monterden op |
| zij | monteren op | monterden op |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opgemonterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgemonterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is opgemonterd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgemonterd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgemonterd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgemonterd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgemonterd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgemonterd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgemonterd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgemonterd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgemonterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgemonterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgemonterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgemonterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgemonterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgemonterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgemonterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgemonterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgemonterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgemonterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgemonterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgemonterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgemonterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgemonterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgemonterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is opgemonterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgemonterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| monter op | gebiedende wijs |
| monterde op | verleden tijd |
| op te monteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen monteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal monteren | bijzin, toekomende tijd |
| op zou monteren | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden monteren | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt monteren | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen monteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen monteren | bijzin, toekomende tijd |
| op zult monteren | bijzin, toekomende tijd |
| opgemonterd | verleden tijd, deelwoord |
| opgemonterd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgemonterd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgemonterd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgemonterd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgemonterd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgemonterd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgemonterd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgemonterd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgemonterd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgemonterd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opmonter | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opmonterde | bijzin, verleden tijd |
| opmonterden | bijzin, verleden tijd |
| opmonterend | onvoltooid, deelwoord |
| opmontert | bijzin, tegenwoordige tijd |
| te hebben opgemonterd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opmonteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgemonterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgemonterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgemonterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgemonterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgemonterd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgemonterd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgemonterd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgemonterd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgemonterd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgemonterd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgemonterd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgemonterd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgemonterd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgemonterd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgemonterd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgemonterd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgemonterd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgemonterd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgemonterd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgemonterd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opgemonterd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgemonterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgemonterd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgemonterd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgemonterd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgemonterd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgemonterd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opmonteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opmonteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opmonteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opmonteren | bijzin, toekomende tijd |
| zijn opgemonterd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgemonterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgemonterd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgemonterd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opgemonterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgemonterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgemonterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgemonterd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgemonterd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgemonterd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgemonterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgemonterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgemonterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opmonteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opmonteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opmonteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opmonteren | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) opmonteren op zou(dt) monteren | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgemonterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgemonterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgemonterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgemonterd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgemonterd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgemonterd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgemonterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgemonterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgemonterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opmonteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opmonteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opmonteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opmonteren | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgemonterd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgemonterd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgemonterd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opmonteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opmonteren | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgemonterd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgemonterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgemonterd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgemonterd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgemonterd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgemonterd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgemonterd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgemonterd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgemonterd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opmonteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opmonteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opmonteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opmonteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opmonteren | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgemonterd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstellende afleiding van op (bijwoord), monter (bijvoeglijk naamwoord) en de uitgang -en van een werkwoord
Woordfamilie van opmonteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| monter op | gebiedende wijs | opmonteren |
| monterde op | verleden tijd | opmonteren |
| monterden op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opmonteren |
| montere op | woordvorm | opmonteren |
| monteren op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opmonteren |
| montert op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opmonteren |
| opgemonterd | voltooid deelwoord | opmonteren |
| opgemonterde | woordvorm | opmonteren |
| opmonter | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opmonteren |
| opmonterde | subordinate-clause, verleden tijd | opmonteren |
| opmonterden | subordinate-clause, verleden tijd | opmonteren |
| opmontere | with-subordinate-clause | opmonteren |
| opmonterend | onvoltooid deelwoord | opmonteren |
| opmonterende | woordvorm | opmonteren |
| opmontert | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opmonteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opmonteren zijn vastgelegd.