Naar de inhoud

opmeten

van iets de maten bepalen

opmeten

werkwoord /'ɔpmetə(n)/

Betekenis

  1. van iets de maten bepalen

Hoe spreek je opmeten uit?

/ˈɔpmetən/

Opmeten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɔpmetən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɔ bot
p pak
m maan
e veel
t tak
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van opmeten

opmetenhele werkwoord — mat opverleden tijd enkelvoud — maten opverleden tijd meervoud — opgemetenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik meet op mat op
jij meet op mat op
hij, zij, het meet op mat op
wij meten op maten op
jullie meten op maten op
zij meten op maten op
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgemeten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgemeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgemeten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgemeten impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgemeten impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgemeten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgemeten worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgemeten zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgemeten worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgemeten zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgemeten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgemeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgemeten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgemeten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgemeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgemeten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgemeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgemeten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgemeten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgemeten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgemeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgemeten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgemeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgemeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgemeten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgemeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgemeten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
mat op verleden tijd
meet op gebiedende wijs
op te meten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen meten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal meten bijzin, toekomende tijd
op zou meten bijzin, voorwaardelijk
op zouden meten bijzin, voorwaardelijk
op zoudt meten bijzin, voorwaardelijk
op zullen meten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen meten bijzin, toekomende tijd
op zult meten bijzin, toekomende tijd
opgemeten verleden tijd, deelwoord
opgemeten te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgemeten te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgemeten te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgemeten te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgemeten te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgemeten worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgemeten zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgemeten zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgemeten zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgemeten zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opmat bijzin, verleden tijd
opmaten bijzin, verleden tijd
opmeet bijzin, tegenwoordige tijd
opmetend onvoltooid, deelwoord
te hebben opgemeten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opmeten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgemeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgemeten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgemeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgemeten voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgemeten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgemeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgemeten voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgemeten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgemeten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgemeten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgemeten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgemeten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgemeten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgemeten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgemeten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgemeten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgemeten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgemeten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgemeten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgemeten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opgemeten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgemeten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgemeten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgemeten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgemeten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgemeten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgemeten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opmeten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opmeten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opmeten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opmeten bijzin, toekomende tijd
zijn opgemeten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgemeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgemeten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgemeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgemeten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgemeten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgemeten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgemeten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgemeten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgemeten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgemeten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgemeten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgemeten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opmeten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opmeten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opmeten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opmeten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) opmeten op zou(dt) meten bijzin, voorwaardelijk
zouden opgemeten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgemeten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgemeten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgemeten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgemeten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgemeten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgemeten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgemeten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgemeten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opmeten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opmeten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opmeten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opmeten bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgemeten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgemeten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgemeten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opmeten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opmeten bijzin, voorwaardelijk
zullen opgemeten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgemeten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgemeten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgemeten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgemeten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgemeten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgemeten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgemeten zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgemeten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opmeten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opmeten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opmeten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opmeten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opmeten bijzin, toekomende tijd
zult opgemeten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult opgemeten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van op bw en meten ww

Woordfamilie van opmeten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
mat op verleden tijd opmeten
maten op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opmeten
meet op gebiedende wijs opmeten
mete op woordvorm opmeten
meten op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opmeten
opgemeten voltooid deelwoord opmeten
opmat subordinate-clause, verleden tijd opmeten
opmeet subordinate-clause, tegenwoordige tijd opmeten
opmete with-subordinate-clause opmeten
opmetend onvoltooid deelwoord opmeten
opmetende woordvorm opmeten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opmeten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opmeten

Hoe spreek je opmeten uit?
De uitspraak van opmeten is: /'ɔpmetə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd.
Wat betekent opmeten?
Opmeten is een werkwoord. Het woord betekent: van iets de maten bepalen.
Hoe vervoeg je opmeten?
Je vervoegt opmeten als volgt: het voltooid deelwoord is opgemeten. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opmeten is 12 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. M 3
  4. E 1
  5. T 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 12 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opmeten levert met Wordfeud minimaal 13 en maximaal 103 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. M 3
  4. E 1
  5. T 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 13 zonder bonus
  9. 103 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

opmeten telt 7 letters, waarvan 6 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

opmeten in het kort

opmeten staat in dit woordenboek als werkwoord. Van opmeten zijn 86 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort opmeten bij een woordfamilie van 11 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

opmeten: van iets de maten bepalen
Deel opmeten — standaardnederlands.nl