Naar de inhoud

opmalen

omhoog malen

opmalen

werkwoord

Betekenis

  1. omhoog malen

Vervoeging van opmalen

opmalenhele werkwoord — maalde opverleden tijd enkelvoud — maalden opverleden tijd meervoud — opgemalenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik maal op maalde op
jij maalt op maalde op
hij, zij, het maalt op maalde op
wij malen op maalden op
jullie malen op maalden op
zij malen op maalden op
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgemalen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgemalen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgemalen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgemalen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgemalen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgemalen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgemalen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgemalen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgemalen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgemalen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgemalen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgemalen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgemalen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgemalen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgemalen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgemalen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgemalen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgemalen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgemalen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgemalen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgemalen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgemalen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgemalen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgemalen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgemalen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgemalen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgemalen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
maal op gebiedende wijs
maalde op verleden tijd
op te malen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen malen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal malen bijzin, toekomende tijd
op zou malen bijzin, voorwaardelijk
op zouden malen bijzin, voorwaardelijk
op zoudt malen bijzin, voorwaardelijk
op zullen malen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen malen bijzin, toekomende tijd
op zult malen bijzin, toekomende tijd
opgemalen verleden tijd, deelwoord
opgemalen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgemalen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgemalen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgemalen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgemalen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgemalen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgemalen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgemalen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgemalen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgemalen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opmaal bijzin, tegenwoordige tijd
opmaalde bijzin, verleden tijd
opmaalden bijzin, verleden tijd
opmaalt bijzin, tegenwoordige tijd
opmalend onvoltooid, deelwoord
te hebben opgemalen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opmalen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgemalen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgemalen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgemalen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgemalen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgemalen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgemalen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgemalen voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgemalen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgemalen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgemalen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgemalen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgemalen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgemalen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgemalen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgemalen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgemalen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgemalen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgemalen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgemalen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgemalen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opgemalen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgemalen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgemalen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgemalen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgemalen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgemalen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgemalen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opmalen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opmalen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opmalen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opmalen bijzin, toekomende tijd
zijn opgemalen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgemalen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgemalen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgemalen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgemalen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgemalen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgemalen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgemalen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgemalen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgemalen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgemalen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgemalen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgemalen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opmalen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opmalen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opmalen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opmalen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) opmalen op zou(dt) malen bijzin, voorwaardelijk
zouden opgemalen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgemalen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgemalen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgemalen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgemalen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgemalen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgemalen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgemalen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgemalen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opmalen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opmalen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opmalen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opmalen bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgemalen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgemalen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgemalen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opmalen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opmalen bijzin, voorwaardelijk
zullen opgemalen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgemalen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgemalen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgemalen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgemalen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgemalen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgemalen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgemalen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgemalen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opmalen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opmalen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opmalen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opmalen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opmalen bijzin, toekomende tijd
zult opgemalen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van op en malen

Woordfamilie van opmalen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
maal op gebiedende wijs opmalen
maalde op verleden tijd opmalen
maalden op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opmalen
maalt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opmalen
male op woordvorm opmalen
malen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opmalen
opgemalen voltooid deelwoord opmalen
opmaal subordinate-clause, tegenwoordige tijd opmalen
opmaalde subordinate-clause, verleden tijd opmalen
opmaalden subordinate-clause, verleden tijd opmalen
opmaalt subordinate-clause, tegenwoordige tijd opmalen
opmale with-subordinate-clause opmalen
opmalend onvoltooid deelwoord opmalen
opmalende woordvorm opmalen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opmalen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opmalen

Wat is de betekenis van opmalen?
Opmalen is een werkwoord. De betekenis is: omhoog malen.
Hoe vervoeg ik opmalen?
Zo vervoeg je opmalen zo: het voltooid deelwoord is opgemalen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opmalen is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. M 3
  4. A 1
  5. L 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opmalen levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 106 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. M 3
  4. A 1
  5. L 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. 14 zonder bonus
  9. 106 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

opmalen telt 7 letters, waarvan 7 verschillende. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

opmalen in het kort

opmalen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van opmalen staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort opmalen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

opmalen: omhoog malen
Deel opmalen — standaardnederlands.nl