Naar de inhoud

oplossen

een homogeen mengsel gaan vormen met een vloeistof, in een vloeistof verdwijnen

oplossen

werkwoord ˈɔplɔsə(n)

Betekenis

  1. een homogeen mengsel gaan vormen met een vloeistof, in een vloeistof verdwijnen
  2. een homogeen mengsel doen vormen
  3. opheldering brengen inzake een probleem
  4. verdwijnen
  5. het gevraagde uit de gegevens berekenen
  6. tot een bevredigend einde brengen
  7. zich ~: uiteengaan

Hoe spreek je oplossen uit?

/ˈɔplɔsən/

Oplossen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɔplɔsən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɔ bot
p pak
l land
s sok
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van oplossen

oplossenhele werkwoord — loste opverleden tijd enkelvoud — losten opverleden tijd meervoud — opgelostvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik los op loste op
jij lost op loste op
hij, zij, het lost op loste op
wij lossen op losten op
jullie lossen op losten op
zij lossen op losten op
Alle 131 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief, voltooid
ben opgelost voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgelost voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgelost impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid
er was opgelost impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid
er werd opgelost impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid
er wordt opgelost impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal opgelost worden impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal opgelost zijn impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid
er zou opgelost worden impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid
er zou opgelost zijn impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid
ev. gebiedende wijs
hebben opgelost actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
is opgelost voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgelost voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
los op gebiedende wijs
los u/je op, lost je op gebiedende wijs
loste op verleden tijd
op te lossen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen lossen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal lossen bijzin, toekomende tijd
op zou lossen bijzin, voorwaardelijk
op zouden lossen bijzin, voorwaardelijk
op zoudt lossen bijzin, voorwaardelijk
op zullen lossen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen lossen bijzin, toekomende tijd
op zult lossen bijzin, toekomende tijd
opgelost verleden tijd, deelwoord
opgelost te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgelost te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgelost te zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgelost te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgelost te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgelost worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgelost zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgelost zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgelost zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgelost zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
oplos bijzin, tegenwoordige tijd
oplossend onvoltooid, deelwoord
oplost bijzin, tegenwoordige tijd
oploste bijzin, verleden tijd
oplosten bijzin, verleden tijd
te hebben/zijn opgelost actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen oplossen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgelost voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgelost voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgelost voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgelost voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgelost voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgelost voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgelost voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgelost enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgelost enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgelost enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgelost enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgelost enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgelost enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgelost enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgelost enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgelost enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgelost enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgelost enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgelost enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgelost enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal me oplossen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal opgelost worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgelost worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgelost zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgelost zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal oplossen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal oplossen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal oplossen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal oplossen bijzin, toekomende tijd
zal zich oplossen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je oplossen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich opgelost hebben verleden tijd
zich oplossend onvoltooid, deelwoord
zijn opgelost actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn opgelost voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgelost voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgelost voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgelost voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgelost worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgelost worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgelost worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgelost zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgelost zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgelost zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou oplossen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou oplossen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou oplossen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou oplossen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) oplossen op zou(dt) lossen bijzin, voorwaardelijk
zouden opgelost worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgelost worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgelost worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgelost zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgelost zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgelost zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden oplossen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden oplossen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden oplossen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden oplossen bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgelost worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgelost zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt oplossen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt oplossen bijzin, voorwaardelijk
zullen je oplossen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons oplossen eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen opgelost worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgelost worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgelost worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgelost zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgelost zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgelost zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen oplossen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen oplossen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen oplossen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen oplossen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen oplossen bijzin, toekomende tijd
zullen zich oplossen derde persoon, toekomende tijd, meervoud
zult opgelost worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult opgelost zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult oplossen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult oplossen bijzin, toekomende tijd
zult u oplossen tweede persoon
zult u oplossen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zult zich/u oplossen tweede persoon
zult zich/u oplossen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zult/zal oplossen op zult/zal lossen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van op bw en lossen ww

Woordfamilie van oplossen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
los op gebiedende wijs oplossen
losse op woordvorm oplossen
lossen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon oplossen
lost op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon oplossen
loste op verleden tijd oplossen
losten op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon oplossen
oplos subordinate-clause, tegenwoordige tijd oplossen
oplosse with-subordinate-clause oplossen
oplost subordinate-clause, tegenwoordige tijd oplossen
oploste subordinate-clause, verleden tijd oplossen
oplosten subordinate-clause, verleden tijd oplossen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van oplossen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over oplossen

Hoe spreek ik oplossen uit?
Zo spreek je oplossen uit: /ˈɔplɔsə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van oplossen?
Oplossen is een werkwoord. De betekenis is: een homogeen mengsel gaan vormen met een vloeistof, in een vloeistof verdwijnen. In totaal staan er 7 betekenissen.
Hoe vervoeg ik oplossen?
Zo vervoeg je oplossen zo: het voltooid deelwoord is opgelost. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord oplossen is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. L 3
  4. O 1
  5. S 2
  6. S 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

oplossen levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. L 3
  4. O 1
  5. S 2
  6. S 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 zonder bonus
  10. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

oplossen in het kort

oplossen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 7 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van oplossen staan er 87 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort oplossen bij een woordfamilie van 11 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

oplossen: een homogeen mengsel gaan vormen met een vloeistof, in een vloeistof verdwijnen
Deel oplossen — standaardnederlands.nl