Naar de inhoud

oplopen

naar boven hellen

oplopen is meer dan één woord

oplopen

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈɔplopə(n)

Betekenis

  1. naar boven hellen
  2. iets ~: lopend naar boven gaan
  3. in getal of hoeveelheid toenemen
  4. een besmetting of beschadiging verkrijgen

Hoe spreek je oplopen uit?

/ˈɔplopən/

Oplopen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɔplopən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɔ bot
p pak
l land
o boot
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van oplopen

oplopenhele werkwoord — liep opverleden tijd enkelvoud — liepen opverleden tijd meervoud — opgelopenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik loop op liep op
jij loopt op liep op
hij, zij, het loopt op liep op
wij lopen op liepen op
jullie lopen op liepen op
zij lopen op liepen op
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgelopen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgelopen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgelopen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgelopen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgelopen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgelopen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgelopen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgelopen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgelopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
liep op verleden tijd
loop op gebiedende wijs
op te lopen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen lopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal lopen bijzin, toekomende tijd
op zou lopen bijzin, voorwaardelijk
op zouden lopen bijzin, voorwaardelijk
op zoudt lopen bijzin, voorwaardelijk
op zullen lopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen lopen bijzin, toekomende tijd
op zult lopen bijzin, toekomende tijd
opgelopen verleden tijd, deelwoord
opgelopen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgelopen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgelopen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgelopen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgelopen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgelopen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgelopen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgelopen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgelopen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgelopen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opliep bijzin, verleden tijd
opliepen bijzin, verleden tijd
oploop bijzin, tegenwoordige tijd
oploopt bijzin, tegenwoordige tijd
oplopend onvoltooid, deelwoord
te hebben opgelopen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen oplopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgelopen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgelopen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgelopen voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgelopen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgelopen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgelopen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgelopen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgelopen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgelopen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgelopen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgelopen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgelopen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgelopen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgelopen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgelopen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgelopen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgelopen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgelopen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal oplopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal oplopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal oplopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal oplopen bijzin, toekomende tijd
zijn opgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgelopen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou oplopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou oplopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou oplopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou oplopen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) oplopen op zou(dt) lopen bijzin, voorwaardelijk
zouden opgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden oplopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden oplopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden oplopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden oplopen bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgelopen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgelopen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt oplopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt oplopen bijzin, voorwaardelijk
zullen opgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgelopen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgelopen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgelopen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgelopen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen oplopen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen oplopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen oplopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen oplopen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen oplopen bijzin, toekomende tijd
zult opgelopen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord oploop

Herkomst

ww: samenstelling van op bw en lopen ww

Woordfamilie van oplopen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
liep op verleden tijd oplopen
liepen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon oplopen
loop op gebiedende wijs oplopen
loopt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon oplopen
lope op woordvorm oplopen
lopen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon oplopen
opgelopen voltooid deelwoord oplopen
opliep subordinate-clause, verleden tijd oplopen
opliepen subordinate-clause, verleden tijd oplopen
oploopt subordinate-clause, tegenwoordige tijd oplopen
oplope with-subordinate-clause oplopen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van oplopen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over oplopen

Hoe spreek je oplopen uit?
De uitspraak van oplopen is: /ˈɔplopə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent oplopen?
Oplopen is een werkwoord. Het woord betekent: naar boven hellen. Deze pagina beschrijft 4 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je oplopen?
Je vervoegt oplopen als volgt: het voltooid deelwoord is opgelopen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord oplopen is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. L 3
  4. O 1
  5. P 3
  6. E 1
  7. N 1
  8. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

oplopen levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 109 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. L 3
  4. O 1
  5. P 4
  6. E 1
  7. N 1
  8. 15 zonder bonus
  9. 109 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

oplopen telt 7 letters, waarvan 5 verschillende, want 2 letters komen er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

oplopen in het kort

oplopen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Hierboven staan 4 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van oplopen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort oplopen bij een woordfamilie van 11 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

oplopen: naar boven hellen
Deel oplopen — standaardnederlands.nl