oplopen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈɔplopə(n)Betekenis
- naar boven hellen
- iets ~: lopend naar boven gaan
- in getal of hoeveelheid toenemen
- een besmetting of beschadiging verkrijgen
Hoe spreek je oplopen uit?
/ˈɔplopən/
Oplopen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| p | pak |
| l | land |
| o | boot |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van oplopen
oplopenhele werkwoord — liep opverleden tijd enkelvoud — liepen opverleden tijd meervoud — opgelopenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | loop op | liep op |
| jij | loopt op | liep op |
| hij, zij, het | loopt op | liep op |
| wij | lopen op | liepen op |
| jullie | lopen op | liepen op |
| zij | lopen op | liepen op |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is opgelopen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgelopen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgelopen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgelopen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgelopen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgelopen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgelopen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgelopen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgelopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is opgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| liep op | verleden tijd |
| loop op | gebiedende wijs |
| op te lopen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen lopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal lopen | bijzin, toekomende tijd |
| op zou lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen lopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen lopen | bijzin, toekomende tijd |
| op zult lopen | bijzin, toekomende tijd |
| opgelopen | verleden tijd, deelwoord |
| opgelopen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgelopen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgelopen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgelopen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgelopen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgelopen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgelopen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgelopen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgelopen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgelopen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opliep | bijzin, verleden tijd |
| opliepen | bijzin, verleden tijd |
| oploop | bijzin, tegenwoordige tijd |
| oploopt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| oplopend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben opgelopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen oplopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgelopen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgelopen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgelopen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgelopen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgelopen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgelopen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgelopen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgelopen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgelopen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgelopen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgelopen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgelopen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgelopen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal oplopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal oplopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal oplopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal oplopen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn opgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou oplopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou oplopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou oplopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou oplopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) oplopen op zou(dt) lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden oplopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden oplopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden oplopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden oplopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt oplopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt oplopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgelopen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen oplopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen oplopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen oplopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen oplopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen oplopen | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord oploop
Herkomst
ww: samenstelling van op bw en lopen ww
Woordfamilie van oplopen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| liep op | verleden tijd | oplopen |
| liepen op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | oplopen |
| loop op | gebiedende wijs | oplopen |
| loopt op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | oplopen |
| lope op | woordvorm | oplopen |
| lopen op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | oplopen |
| opgelopen | voltooid deelwoord | oplopen |
| opliep | subordinate-clause, verleden tijd | oplopen |
| opliepen | subordinate-clause, verleden tijd | oplopen |
| oploopt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | oplopen |
| oplope | with-subordinate-clause | oplopen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van oplopen zijn vastgelegd.