oplaten
werkwoordBetekenis
- loslaten zodat het omhoog gaat
Vervoeging van oplaten
oplatenhele werkwoord — liet opverleden tijd enkelvoud — lieten opverleden tijd meervoud — opgelatenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | laat op | liet op |
| jij | laat op | liet op |
| hij, zij, het | laat op | liet op |
| wij | laten op | lieten op |
| jullie | laten op | lieten op |
| zij | laten op | lieten op |
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opgelaten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgelaten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is opgelaten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgelaten | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgelaten | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgelaten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgelaten worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgelaten zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgelaten worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgelaten zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgelaten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgelaten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgelaten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgelaten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgelaten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgelaten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgelaten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgelaten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgelaten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgelaten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgelaten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgelaten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgelaten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgelaten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgelaten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is opgelaten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgelaten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| laat op | gebiedende wijs |
| liet op | verleden tijd |
| op te laten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen laten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal laten | bijzin, toekomende tijd |
| op zou laten | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden laten | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt laten | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen laten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen laten | bijzin, toekomende tijd |
| op zult laten | bijzin, toekomende tijd |
| opgelaten | verleden tijd, deelwoord |
| opgelaten te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgelaten te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgelaten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgelaten te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgelaten te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgelaten worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgelaten zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgelaten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgelaten zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgelaten zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| oplaat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| oplatend | onvoltooid, deelwoord |
| opliet | bijzin, verleden tijd |
| oplieten | bijzin, verleden tijd |
| te hebben opgelaten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen oplaten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgelaten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgelaten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgelaten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgelaten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgelaten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgelaten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgelaten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgelaten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgelaten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgelaten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgelaten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgelaten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgelaten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgelaten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgelaten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgelaten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgelaten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgelaten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgelaten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgelaten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opgelaten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgelaten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgelaten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgelaten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgelaten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgelaten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgelaten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal oplaten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal oplaten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal oplaten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal oplaten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn opgelaten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgelaten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgelaten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgelaten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opgelaten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgelaten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgelaten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgelaten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgelaten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgelaten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgelaten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgelaten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgelaten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou oplaten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou oplaten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou oplaten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou oplaten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) oplaten op zou(dt) laten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgelaten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgelaten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgelaten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgelaten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgelaten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgelaten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgelaten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgelaten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgelaten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden oplaten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden oplaten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden oplaten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden oplaten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgelaten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgelaten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgelaten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt oplaten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt oplaten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgelaten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgelaten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgelaten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgelaten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgelaten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgelaten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgelaten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgelaten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgelaten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen oplaten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen oplaten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen oplaten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen oplaten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen oplaten | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgelaten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult opgelaten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van op en laten
Woordfamilie van oplaten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| laat op | gebiedende wijs | oplaten |
| late op | woordvorm | oplaten |
| laten op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | oplaten |
| liet op | verleden tijd | oplaten |
| lieten op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | oplaten |
| oplaat | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | oplaten |
| oplate | with-subordinate-clause | oplaten |
| oplatend | onvoltooid deelwoord | oplaten |
| oplatende | woordvorm | oplaten |
| opliet | subordinate-clause, verleden tijd | oplaten |
| oplieten | subordinate-clause, verleden tijd | oplaten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van oplaten zijn vastgelegd.