Naar de inhoud

opknappen

een proces van verbetering ondergaan, gewoonlijk wat betreft de gezondheid

opknappen

werkwoord ˈɔpknɑpə(n)

Betekenis

  1. een proces van verbetering ondergaan, gewoonlijk wat betreft de gezondheid
  2. verbeteringen aanbrengen
  3. voltooien, afmaken, doen

Hoe spreek je opknappen uit?

/ˈɔpknɑpən/

Opknappen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɔpknɑpən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɔ bot
p pak
k kat
n nek
ɑ bad
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van opknappen

opknappenhele werkwoord — knapte opverleden tijd enkelvoud — knapten opverleden tijd meervoud — opgeknaptvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik knap op knapte op
jij knapt op knapte op
hij, zij, het knapt op knapte op
wij knappen op knapten op
jullie knappen op knapten op
zij knappen op knapten op
Alle 118 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief, voltooid
ben opgeknapt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgeknapt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgeknapt impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid
er was opgeknapt impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid
er werd opgeknapt impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid
er wordt opgeknapt impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal opgeknapt worden impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal opgeknapt zijn impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid
er zou opgeknapt worden impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid
er zou opgeknapt zijn impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid
ev. gebiedende wijs
hebben opgeknapt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
is opgeknapt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgeknapt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
knap op gebiedende wijs
knapte op verleden tijd
op te knappen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen knappen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal knappen bijzin, toekomende tijd
op zou knappen bijzin, voorwaardelijk
op zouden knappen bijzin, voorwaardelijk
op zoudt knappen bijzin, voorwaardelijk
op zullen knappen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen knappen bijzin, toekomende tijd
op zult knappen bijzin, toekomende tijd
opgeknapt verleden tijd, deelwoord
opgeknapt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgeknapt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgeknapt te zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeknapt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeknapt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeknapt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgeknapt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgeknapt zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgeknapt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgeknapt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opknap bijzin, tegenwoordige tijd
opknappend onvoltooid, deelwoord
opknapt bijzin, tegenwoordige tijd
opknapte bijzin, verleden tijd
opknapten bijzin, verleden tijd
te hebben/zijn opgeknapt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opknappen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgeknapt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgeknapt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgeknapt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgeknapt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgeknapt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgeknapt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgeknapt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgeknapt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgeknapt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgeknapt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgeknapt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgeknapt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgeknapt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgeknapt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgeknapt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgeknapt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgeknapt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgeknapt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgeknapt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgeknapt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opgeknapt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgeknapt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgeknapt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgeknapt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opknappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opknappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opknappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opknappen bijzin, toekomende tijd
zijn opgeknapt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn opgeknapt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgeknapt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgeknapt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgeknapt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opgeknapt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgeknapt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgeknapt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgeknapt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgeknapt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgeknapt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opknappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opknappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opknappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opknappen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) opknappen op zou(dt) knappen bijzin, voorwaardelijk
zouden opgeknapt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgeknapt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgeknapt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgeknapt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgeknapt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgeknapt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opknappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opknappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opknappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opknappen bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgeknapt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgeknapt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opknappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opknappen bijzin, voorwaardelijk
zullen opgeknapt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgeknapt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgeknapt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgeknapt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgeknapt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgeknapt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opknappen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opknappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opknappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opknappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opknappen bijzin, toekomende tijd
zult opgeknapt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult opgeknapt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult opknappen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult opknappen bijzin, toekomende tijd
zult/zal opknappen op zult/zal knappen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van op en knappen

Woordfamilie van opknappen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
knap op gebiedende wijs opknappen
knappe op woordvorm opknappen
knappen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opknappen
knapt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opknappen
knapte op verleden tijd opknappen
knapten op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opknappen
opgeknapt voltooid deelwoord opknappen
opgeknapte woordvorm opknappen
opknap subordinate-clause, tegenwoordige tijd opknappen
opknappe with-subordinate-clause opknappen
opknappend onvoltooid deelwoord opknappen
opknappende woordvorm opknappen
opknapt subordinate-clause, tegenwoordige tijd opknappen
opknapte subordinate-clause, verleden tijd opknappen
opknapten subordinate-clause, verleden tijd opknappen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opknappen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opknappen

Hoe spreek je opknappen uit?
De uitspraak van opknappen is: /ˈɔpknɑpə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent opknappen?
Opknappen is een werkwoord. Het woord betekent: een proces van verbetering ondergaan, gewoonlijk wat betreft de gezondheid. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je opknappen?
Je vervoegt opknappen als volgt: het voltooid deelwoord is opgeknapt. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opknappen is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. K 3
  4. N 1
  5. A 1
  6. P 3
  7. P 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opknappen levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. K 3
  4. N 1
  5. A 1
  6. P 4
  7. P 4
  8. E 1
  9. N 1
  10. 20 zonder bonus
  11. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opknappen in het kort

opknappen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van opknappen zijn 76 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort opknappen bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

opknappen: een proces van verbetering ondergaan, gewoonlijk wat betreft de gezondheid
Deel opknappen — standaardnederlands.nl