opklimmen
werkwoord /ˈɔpklɪmə(n)/Betekenis
- een hoger punt trachten te bereiken
Hoe spreek je opklimmen uit?
/ˈɔpklɪmən/
Opklimmen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| p | pak |
| k | kat |
| l | land |
| ɪ | pit |
| m | maan |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van opklimmen
opklimmenhele werkwoord — klom opverleden tijd enkelvoud — klommen opverleden tijd meervoud — opgeklommenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | klim op | klom op |
| jij | klimt op | klom op |
| hij, zij, het | klimt op | klom op |
| wij | klimmen op | klommen op |
| jullie | klimmen op | klommen op |
| zij | klimmen op | klommen op |
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben opgeklommen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgeklommen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is opgeklommen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgeklommen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| klim op | gebiedende wijs |
| klom op | verleden tijd |
| op te klimmen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen klimmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal klimmen | bijzin, toekomende tijd |
| op zou klimmen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden klimmen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt klimmen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen klimmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen klimmen | bijzin, toekomende tijd |
| op zult klimmen | bijzin, toekomende tijd |
| opgeklommen | verleden tijd, deelwoord |
| opgeklommen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeklommen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opklim | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opklimmend | onvoltooid, deelwoord |
| opklimt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opklom | bijzin, verleden tijd |
| opklommen | bijzin, verleden tijd |
| opklomt | bijzin, verleden tijd |
| te zijn opgeklommen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opklimmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgeklommen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgeklommen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgeklommen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgeklommen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgeklommen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgeklommen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgeklommen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal opgeklommen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeklommen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgeklommen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opklimmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opklimmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opklimmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opklimmen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn opgeklommen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn opgeklommen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgeklommen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgeklommen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgeklommen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opgeklommen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeklommen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeklommen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opklimmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opklimmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opklimmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opklimmen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) opklimmen op zou(dt) klimmen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgeklommen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgeklommen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgeklommen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opklimmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opklimmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opklimmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opklimmen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgeklommen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opklimmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opklimmen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen opgeklommen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgeklommen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgeklommen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opklimmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opklimmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opklimmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opklimmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opklimmen | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgeklommen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult opklimmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult opklimmen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal opklimmen op zult/zal klimmen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van op bw en klimmen ww
Woordfamilie van opklimmen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| klim op | gebiedende wijs | opklimmen |
| klimme op | woordvorm | opklimmen |
| klimmen op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opklimmen |
| klimt op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opklimmen |
| klom op | verleden tijd | opklimmen |
| klommen op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opklimmen |
| opgeklommen | voltooid deelwoord | opklimmen |
| opklim | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opklimmen |
| opklimme | with-subordinate-clause | opklimmen |
| opklimmend | onvoltooid deelwoord | opklimmen |
| opklimmende | woordvorm | opklimmen |
| opklimt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opklimmen |
| opklom | subordinate-clause, verleden tijd | opklimmen |
| opklommen | subordinate-clause, verleden tijd | opklimmen |
| opklomt | subordinate-clause, verleden tijd | opklimmen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opklimmen zijn vastgelegd.