Naar de inhoud

opklaren

Het ontstaan van open plekken in wat een gesloten wolkendek was

opklaren

werkwoord /'ɔpklarə(n)/

Betekenis

  1. Het ontstaan van open plekken in wat een gesloten wolkendek was
  2. bij uitbreiding een zonniger aanblik vertonen

Hoe spreek je opklaren uit?

/ˈɔpklarən/

Opklaren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɔpklarən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɔ bot
p pak
k kat
l land
a maan
r rood
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van opklaren

opklarenhele werkwoord — klaarde opverleden tijd enkelvoud — klaarden opverleden tijd meervoud — hebben opgeklaardvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik klaar op klaarde op
jij klaart op klaarde op
hij, zij, het klaart op klaarde op
wij klaren op klaarden op
jullie klaren op klaarden op
zij klaren op klaarden op
Alle 77 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had opgeklaard voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgeklaard voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgeklaard voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgeklaard voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgeklaard voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgeklaard voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgeklaard voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgeklaard voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgeklaard actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgeklaard verleden tijd, deelwoord
hebben opgeklaard voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgeklaard voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgeklaard voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgeklaard voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgeklaard voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgeklaard voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
klaar op gebiedende wijs
klaarde op verleden tijd
klaart op tegenwoordige tijd
op te klaren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen klaren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal klaren bijzin, toekomende tijd
op zou klaren bijzin, voorwaardelijk
op zouden klaren bijzin, voorwaardelijk
op zoudt klaren bijzin, voorwaardelijk
op zullen klaren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen klaren bijzin, toekomende tijd
op zult klaren bijzin, toekomende tijd
opgeklaard verleden tijd, deelwoord
opgeklaard te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeklaard zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opklaar bijzin, tegenwoordige tijd
opklaarde bijzin, verleden tijd
opklaarden bijzin, verleden tijd
opklaart bijzin, tegenwoordige tijd
opklarend onvoltooid, deelwoord
te hebben opgeklaard actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opklaren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal opgeklaard hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgeklaard hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgeklaard hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opklaren toekomende tijd
zal opklaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opklaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opklaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opklaren bijzin, toekomende tijd
zou opgeklaard hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgeklaard hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgeklaard hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opklaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opklaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opklaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opklaren bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) opklaren op zou(dt) klaren bijzin, voorwaardelijk
zouden opgeklaard hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgeklaard hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgeklaard hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opklaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opklaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opklaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opklaren bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgeklaard hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opklaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opklaren bijzin, voorwaardelijk
zullen opgeklaard hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgeklaard hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgeklaard hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opklaren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opklaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opklaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opklaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opklaren bijzin, toekomende tijd
zult opgeklaard hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult opklaren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult opklaren bijzin, toekomende tijd
zult/zal opklaren op zult/zal klaren bijzin, toekomende tijd

Herkomst

In de betekenis van ‘klaar (doen) worden’ voor het eerst aangetroffen in 1641

Woordfamilie van opklaren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
klaar op gebiedende wijs opklaren
klaarde op verleden tijd opklaren
klaarden op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opklaren
klaart op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opklaren
klare op woordvorm opklaren
klaren op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opklaren
opgeklaard voltooid deelwoord opklaren
opgeklaarde woordvorm opklaren
opklaar subordinate-clause, tegenwoordige tijd opklaren
opklaarde subordinate-clause, verleden tijd opklaren
opklaarden subordinate-clause, verleden tijd opklaren
opklaart subordinate-clause, tegenwoordige tijd opklaren
opklare with-subordinate-clause opklaren
opklarend onvoltooid deelwoord opklaren
opklarende woordvorm opklaren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opklaren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opklaren

Hoe spreek ik opklaren uit?
Zo spreek je opklaren uit: /'ɔpklarə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van opklaren?
Opklaren is een werkwoord. De betekenis is: Het ontstaan van open plekken in wat een gesloten wolkendek was. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik opklaren?
Zo vervoeg je opklaren zo: het voltooid deelwoord is hebben opgeklaard. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opklaren is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. K 3
  4. L 3
  5. A 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opklaren levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. K 3
  4. L 3
  5. A 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 zonder bonus
  10. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opklaren in het kort

opklaren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van opklaren staan er 45 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort opklaren bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

opklaren: Het ontstaan van open plekken in wat een gesloten wolkendek was
Deel opklaren — standaardnederlands.nl